In augustus 2019 kwamen we terug van een weekje kamperen in Frankrijk. Rosa zei: “Ik moet plassen, super nodig”. We renden naar de voordeur en ik haalde de sleutel uit mijn zak. Onze wc zit direct in het halletje waar de voordeur uitkomt. Ik maakte de deur open en Rosa deed de wc-deur open. “Papa”, zei ze. “Kijk.” Ik keek. Er was iets met de WC, maar het drong niet tot me door wat het was. Er lagen zwarte dingen op de grond, maar ik zag niet wat het waren. Het duurde een goede drie seconde voordat ik me realiseerde dat het wespen waren. De hele WC zat er vol mee. Op het raam zaten hele zwermen. Verder lagen er dode wespen op de grond, in de pot, kropen er wespen over de muur, de wc-rol, de vloer, et cetera.
We zijn realiteitsmachines. Het waarnemen van dit tafereel gebeurt door mijn geest. Het vond niet gewoon plaats; het incident oversteeg ruimte en tijd. Het was niet zo dat de wespen er al waren, en ik ze waarnam. Ik creëerde de wespen in mijn geest. Omdat het zo’n ongewoon tafereel was duurde het een paar seconden voordat hetgeen dat mijn geest computeerde tot mijn bewustzijn doordrong. Maar dit werkt hetzelfde bij alles wat we waarnemen. Ik creëerde de wespen, net zoals dat de wespen mij creëerden in een of andere vorm.
LEES OOK: De oorsprong van ons bewustzijn
