Een gunter met overtuigingen (over Ready Player One & geloof)

‘Ready Player One’ is nu verfilmd door Steven Spielberg

Een gunter is een popcultuur-specialist die de virtuele wereld Oasis afzoekt naar clues om de grootste easter egg jacht aller tijden op te lossen. De ontwerper van de Oasis, James Halliday, heeft voor zijn dood aanwijzingen in de Oasis verstopt die allemaal te maken hebben met zijn fascinatie voor jaren 80’ videogames, films en popmuziek. Wie als eerste drie sleutels kan vinden en drie poorten kan openen, wint Halliday’s enorme fortuin én krijgt controle over de Oasis. De eenzame en talentvolle gunter Parzival vindt de eerste sleutel. Maar de concurrentie van mede-gunters en evil corporation IOI (Innovative Online Industries) zal moordend blijken. Kan Parzival de heilige graal ontdekken voor zijn medespelers dat doen?

Het met popcultuur overladen science fiction boek Ready Player One van Ernest Cline – het vermakelijkste boek dat ik in tijden gelezen heb – zit helemaal volgestouwd met verwijzingen naar jaren 80’ games, computersystemen, films en rockbands. Zoals wel vaker in boeken uit dit genre is de toekomstige aarde veranderd in een dystopia. De grondstoffen zijn bijna op, er is voedseltekort, overbevolking en het klimaat is katastrofisch veranderd. De enige uitvlucht van de meeste mensen is de virtuele wereld die über geek Halliday voor ze geschapen heeft.

Zoals de karakters in Tarantino films, laten de personages in Ready Player One zich volledig leiden door popcultuur in plaats van door God of een erecode. Dit is Amerikaans nihilisme ten top. Het boek begint zelfs met de statement van hoofdpersonage Wade Watts (avatarnaam Parzival) dat God een verzinsel is, dat het leven geen betekenis heeft, en dat al het bewijs er op duidt dat er niks is na de dood. Het enige wat het leven zin geeft is zoveel mogelijk trivia-kennis opdoen en game skills verwerven, om zo een kans te maken om Halliday’s ultieme easter egg te vinden.

Ik zou in zo’n wereld vanzelfsprekend ook gunter worden. Eigenlijk ben ik al een soort gunter in de huidige wereld, alleen is mijn specialisme eerder de jaren 90′. Alleen ben ik geen nihilist. Niet dat ik geloof in een God die boven alles staat, maar eerder in God zoals Spinoza en Einstein haar/hem zagen. Alles is in God. Het universum is geen machine die uit losse onderdelen bestaat, maar eerder een grote gedachte met bewustzijn als primaire basis. Omdat we allemaal onlosmakelijk onderdeel zijn van dit universum – en geen toevallige samenraapsels van moleculen die als levende systemen functioneren – heeft het leven wel degelijk betekenis en is absolute dood niet mogelijk.

Het nihilistische paradigma uit Ready Player One – en op dit moment nog het dominante wereldbeeld – hangt mogelijk samen met een dystopische toekomst. Stel, dat je leven in feite geen zin heeft, dat ons bestaan op puur toeval berust, dan heeft het ook geen zin om te bouwen aan een duurzame toekomst. Je kunt stellen dat het in onze genen zit gecodeerd om ons nageslacht te beschermen en dat dit de enige reden is om de wereld te redden. Maar toch verklaart dit niet waarom de meeste mensen niet vele malen egoïstischer zijn. Sowieso zou iedereen zonder kinderen volkomen lak moeten hebben aan alles wat hem niks oplevert. Je leeft maar één keer, toch?

Dat is in elk geval het uitgangspunt van de vijfde revolutie: de acceptatie dat ons eigen bewustzijn ‘slechts’ het resultaat is van miljarden neuronen die elkaar kleine stroomstoten geven. Natuurlijk heeft Dick Swaab in vele opzichten gelijk als hij zegt: ‘wij zijn ons brein’. Dat zijn we grotendeels ook. Maar is dit complexe orgaan puur het gevolg van toeval en blinde evolutionaire processen? Daar bestaat bij veel wetenschappers op de achtergrond twijfel over. Ons goldilocks universum zit veel te ingenieus in elkaar om zonder enige geestelijke vermogens ontstaan te zijn, en kwantummechanica heeft laten zien dat alles wat wij als ‘echt’ beschouwen niet echt kan zijn. Objecten komen wel voor in onze realiteit, maar leiden geen onafhankelijk bestaan los van interactie met andere objecten en levende wezens als bewuste waarnemers. Het universum is dus geen lege container vol ruimte waar her en der wat objecten in rondzweven, maar een oceaan van energie die alleen bestaat uit interacties.

Als we niet de kant op willen van Ready Player One hebben we een ander wereldbeeld nodig dan het paradigma waar de neurorevolutie op aanstuurt. Hopelijk is het nog niet te laat om in te zien dat we meer zijn dan de som van onze delen en dat er zelfs een hoger doel bestaat. De online popcultuurwereld uit Ready Player One mag overigens wel één-op-één gekopieerd worden naar onze toekomst. Met mijn nutteloze film feitenkennis en game skills zit het wel snor, en dus is een hoge status als gunter voor mij verzekerd.

Advertenties

Gek op Loesje, Rosa én het grote dierenrijk!

Door Charles Sanders

“Pffff”, zucht Jeppe, als hij op de stoel achter zijn redactiebureau neerploft. Rooddoorlopen ogen, modder aan handen en op kleding, het haar zo woest dat hij haast wel in een cabriolet – met de kap naar beneden – door de wasstraat moet zijn gereden… Of toch die mega-kater en vervolgens in het holst van de nacht van de fiets gevallen? Dan wel bij volle maan slaapwandelend de sloten van de Beemster verkend? We krijgen er geen vat op.

“Wat is er gebeurd?”, vragen we daarom maar, enigszins bezorgd. Jeppe kijkt op die voor hem zo kenmerkende wijze. Beetje dichtgeknepen ogen, ietwat sarcastische glimlach, blik alsof hij precies weet wat zijn gesprekspartners denken, wat hen beweegt, wat ze gaan zeggen. “Ik moest een eend naar het hiernamaals brengen”, orakelt hij op mysterieuze toon, zijn woorden zorgvuldig kiezend.

En om meteen maar te voorkomen dat we het in onze hoofden zouden halen ook maar te dénken dat hij met een jachtgeweer door de Noord-Hollandse weilanden is getogen, met hagel schietend op rondfladderend gevogelte: “Was aangereden. Die eend dan. Ik heb hem naar het hiernamaals geholpen. Het dier moest uit zijn lijden worden verlost.”

Zucht van opluchting. Gelukkig, Jeppe is nog steeds dezelfde. Familieman, echtgenoot van Loesje, vader van Rosa, vegetariër, dierenvriend. Dat laatste gaat heel ver. Zo wil het gerucht dat Jeppe eigenlijk liever als redacteur voor de Fabeltjeskrant had gewerkt dan de scepter over AccountantWeek te zwaaien. Omdat hij dan nieuws had kunnen schrijven voor en over de bewoners van het Grote Dierenbos. Zoals daar zijn: Jodokus de Marmot, broers Ed & Willem Bever, Zoef de Haas, Zaza Zebra, de zussen Myra en Martha Hamster (Ja, die namen bestaan bij Alex van Groningen óók, maar toch anders…) en… hoofdredacteur Meneer de Uil! Niet dat die laatste beter zou zijn dan zijn huidige hoofdredacteur, maar ja, dat gevederte hé! Ander gerucht, vooralsnog door niets en niemand bevestigd: Jeppe had zijn dochtertje ook best Bambi willen noemen. Naar het witstaarthertje uit de gelijknamige Walt Disney-kraker… Het verhaal wil dat Loesje daar een stokje voor stak.

Hoe ver die dierenliefde van Jeppe gaat, bewees hij afgelopen winter nog. Want deze fervente aanhanger van Marianne Thieme’s Partij voor de Dieren bezit in zijn Noord-Hollandse polder een heus eilandje. Met konijnen, kippen en – voor continuïteit heeft hij ook al gezorgd – een haan. In de ijzige koude avond van woensdag 28 februari zit het Jeppe niet lekker. Diezelfde ochtend, in alle vroegte, had hij zijn haan niet gezien. “Misschien een uitstapje naar een ander, warm kippenhok”, mompelt hij nog in zichzelf, terugfietsend naar huis. Maar de zelfpoging tot geruststelling helpt niet. Die hele dag, op de redactie in Amstelveen, blijft het door zijn hoofd spoken. AccountantWeek? Leuk en aardig. Maar hij is nu eventjes meer bezig met dat kippenhok in de polder dan dat hij aandacht heeft voor vermeende fraudezaken bij KPMG of één van de andere Big Five in Accountancy…

Want straks, met gevoelstemperaturen voor de boeg tot -25 graden… Wat gebeurt er dan? Nee, de haan moet terug, zijn eigen hok in. Stel dat ‘ie daar op het eilandhekje staat te bibberen en de volgende ochtend is veranderd in diepgevroren Friki filet? Jeppe begint bij het idee alleen al zelf te bibberen. Dus eenmaal uit de file en thuis; fiets uit de schuur, kleine Rosa – vanzelfsprekend warm ingepakt – achterop en het dorp uitgepeddeld. De snijdende kou, zich zo breed mogelijk makend om Rosa achterop uit die wind te houden, trotsterend. Veel Hollandser krijg je het niet. Als een ansichtkaart van Anton Pieck.

En ja hoor, aangekomen bij het eiland van de familie Kleyngeld, blijkt Jeppe over diervriendelijke voorspellende gaven te beschikken. Want op het hekje staat die anders zo fiere haan met zijn kop in zijn veren verstopt te trillen als een rietje. Jeppe parkeert zijn fiets, kijkt nog even goed of Rosa veilig zit en glijdt de in een ijsvloer veranderde sloot over. De haan, normaal gesproken niet altijd even aanhankelijk, lijkt warempel wel blij hem te zien. En als hij het dier door het deurtje in het kippenhok duwt, lijken de dames – gezien het opgewonden getokkel dat binnen losbarst – ook vrolijk.

Jeppe fietst terug naar huis. Vuurrode wangen, ijspegels in het haar. De wind is gedraaid, de gevoelstemperatuur zo mogelijk nog lager dan op de heenweg. Maar deze Noord-Hollander maalt er niet om. Hij kijkt over zijn linkerschouder naar dochtertje Rosa en die is ook blij. ‘Haan goed, al goed.’ Zo gaat dat in de familie Kleyngeld. En morgen? Dan staat er voor de hoofdredacteur van AccountantWeek een serie interviews met sprekers op de komende AccountantExpo op het programma. Onbedoeld en onbewust moet Jeppe een klein beetje geeuwen…

Geschreven ter ere van jubileum 10 jaar bij Alex van Groningen…

Het onfeilbare leidersinstinct van Mando V.

December, 2007

Op de halte Stadionplein bij de Amstelveenseweg in Amsterdam stapte ik uit de Metro. Met een half uurtje zou ik een sollicitatiegesprek hebben bij een bedrijf daar in de buurt, CxO Media genaamd. Ik gokte welke kant ik op moest en begon die richting op te lopen. Toen ik na 10 minuten langs het kantoor van Boer & Croon liep, waar m’n pa gewerkt heeft, zag ik dat ik op mijn kaart dat ik de verkeerde kant op was gegaan. Ik keerde om.

Ik was nog steeds aan de vroege kant, dus deed het rustig aan. Onderweg bereide ik me in mijn hoofd voor op het gesprek. Wat ik van de website heb begrepen was dat het bedrijf actief is in trainingen en tijdschriften. De richting is financieel. Het uitzendbureau dat me gestuurd had, had me een vacatureomschrijving meegegeven. Ik keek er nog eens naar.

Per direct zijn wij op zoek naar een fulltime (40 uur) (m/v): Redactie assistent

De werkzaamheden
Het verrichten van administratieve en organisatorische werkzaamheden ter ondersteuning van de redactie van het Tijdschrift Financieel Management en Chief Financial Officer Magazine. De werkzaamheden omvatten hoofdzakelijk:
– Afhandelen inkomend telefoonverkeer
– Afhandelen reacties die binnenkomen via de site
– Verzenden van bewijsexemplaren
– Coördinatie fotografie
– Tijdschriften bijwerken in het online archief

Mijn vorige uitzendbaantje bij Achmea had ik precies twee dagen volgehouden. Daarna was ik zo verveeld en depressief geraakt dat ik bijna zonder afscheid te nemen de deur uit was gelopen en de metro was ingestapt. Daarvoor had ik een maand bij Dienst Werk en Inkomen gezeten in Amsterdam West. Mijn taken hier bestonden uit het omboeken van dossiers, samen met vijf andere uitzendkrachten. Het was een complete verspilling van belastinggeld geweest. We haalden de dossiers leeg, verwijderden vervolgens een paar blaadjes uit de stapel papier en tabbladen die niet meer nodig waren en stopte het overige papier in een nieuwe map. Die ging dan het archief in. Ik heb heel wat fascinerende verhalen gelezen in mijn tijd daar. Van een communist die meende levenslang recht te hebben op een uitkering omdat zijn ouders in de oorlog onrechtvaardig behandeld waren door de overheid, tot een Marokkaan die zijn vriend aangaf voor fraude: ‘Achmet heft uitkering maar werk tog saterdag op swart markt in befwijk.’ Het was wat dat betreft een fantastisch baantje geweest, zolang het duurde. Hoe vaak krijg je nou de kans om te graven in de sociale menselijke beerput van een Amsterdamse achterstandswijk? Maar goed, wellicht was de tijd aangebroken voor wat vastere ondergrond. Ik was nu een getrouwd man en had tijdens mijn huwelijksreis in Griekenland drie maanden de tijd gehad om na te denken over wat ik met mijn verdere leven wilde doen. Ik had nog steeds geen flauw idee.

De buitenkant van het pand van CxO Media zag er weinig indrukwekkend uit. Het bestond uit twee brede glazen ramen en een dikke, houten deur in het midden. Met witte letters stonden de bedrijfsnamen CxO Media en Finance Media op het raam gedrukt. Ik drukte op de bel en werd binnengelaten door een jonge donkerharige dame met een lieve glimlach. Ik werd op een bank geparkeerd met de mededeling dat ze Francesca ging halen, de hoofdredacteur van één van de bladen. Ik was in de veronderstelling geweest dat ik een gesprek zou hebben met Mando V, de uitgever van de tent. Nou ja, we zien het wel, dacht ik bij mezelf. Francesca was een enthousiaste dame met rossig haar. Ze heette me welkom en stelde voor naar het café om de hoek te gaan. De ruimte waar ze normaal dit soort gesprekken voerde was bezet. Mando had gebeld en zou er met een kwartiertje aankomen.

Café Wildschut was een drukke, gezellige bar met donkeren houten tafels die dicht bij elkaar stonden opgesteld. Het overige publiek bestond vooral uit studenten. Wij namen de tafel achter bij het raam waar het relatief gezien het rustigste was. Francesca haalde een cappuccino voor me en een glas thee voor zichzelf. ‘Weet je wat we doen bij CxO Media?’ vroeg ze. Ik antwoordde dat ik op de website had gezien dat ze financiële bladen uitbrachten en trainingen aanboden. ‘Dat klopt’, antwoordde Francesca. ‘We hebben ook zo’n 20 websites en we organiseren grote congressen voor financiële professionals.’ Vervolgens pakte ze mijn CV dat ik in tweevoud op tafel had gelegd. Ze werd direct enthousiast toen ze zag dat ik een tijdje in India had gezeten. Zelf kwam ze daar regelmatig omdat haar vriend bij een architectenbureau werkte met belangen in India. Ze vond het een fantastisch land, vertelde ze. Na het uitwisselen van wat wetenswaardigheden over de bezochte plaatsen, zag ze dat ik een jaar op de School voor Journalistiek had gezeten in Zwolle en werd ze weer enthousiast. Ze had daar zelf haar studie gedaan. Toen ze vroeg waarom ik na een jaar was gestopt, zei ik maar dat de school me niet zo had gelegen. In werkelijkheid had ik mezelf dat jaar nagenoeg volledig in coma geblowd en niet meer dan 6 van de benodigde 40 studiepunten behaald.

Na een paar minuten kwam Mando binnen. Ik had een zwarte man veracht in pak, maar het was een Aziatische man (wel in pak). Hij was druk aan het bellen in zakelijk jargon. ‘Ja Ad, we gaan die community van drie kanten inpakken. Vanuit de content, in netwerksetting en dan een-op-een. Ja ja ja!’ Mando was bijzonder energiek. Hij was van mijn leeftijd, maar hij had duidelijk extreem veel zelfvertrouwen in wat hij deed. Een succesvol zakenman, dat was meteen helemaal zichtbaar. Na zijn telefoontje stak hij zijn hand uit. ‘Sorry, dat ik zo laat ben. Het is echt een gekkenhuis momenteel. Maar het gaat goed, echt goed.’

We praatte een beetje over wat ik zoal gedaan had. Het was vrij duidelijk dat Mando en ik een goede klik hadden. Francesca werd hier wat onzeker van. Zij was hoofdredacteur van het magazine en ik zou haar redactie-assistent worden. Zij zou dus de keuze moeten maken, maar in het gesprek was Mando duidelijk leidend. ‘Wat wil je doen?’ vroeg hij me. Ik zei dat ik me wilde ontwikkelen in schrijven en het organiseren van events. ‘Dat is perfect’, zei hij. ‘Jij wilt het graag. Ik zie het in je ogen!’. Dat was het gesprek. De conclusie was dat ik de volgende week een dagje zou meedraaien op de redactie. Met een goed gevoel verliet ik het café. Het is fijn wanneer iemand vertrouwen in je toont. En Mando had het goed gezien uiteraard.

Op het randje…

Na een aantal dagen rust was het afgelopen vrijdag weer zover. M’n vader was net overgebracht naar het ziekenhuis in Alkmaar om te herstellen van zijn twee hartoperaties. In de middag raakte hij buiten Westen en bleek er een bloedprop bij zijn hersenstam te zitten. Dit heet een beroerte of herseninfarct. En dan ook nog op een heel gevaarlijke plek: De hersenstam reguleert cruciale lichaamsfuncties, zoals bewustzijn, ademhaling en evenwicht. Een beroerte in dit gebied kan daarom al snel zeer ernstige gevolgen hebben.

Wat volgde was weer een rollercoaster ride en verreweg de heftigste tot nu toe…

Hij werd met ambulance overgebracht naar het AMC voor een spoedoperatie. Ze zijn daar gespecialiseerd in een operatie waar ze met een katheder via de lies de bloedprop verwijderen. Ik ben er met mijn moeder heen gereden en zag nog net hoe hij op een brancard met een medisch team van wel 12 artsen/verpleegkundigen de lift inging.

Er kwam vervolgens een dokter met ons praten en die zei dat de komende uren heel erg spannend zouden worden… Als hij de operatie al zou overleven moesten we afwachten of hij nog wakker zou worden en met wat voor neurologische schade.

Ongeveer anderhalf later hoorde we – mijn broer, zus, schoonzus, neef en Loesje waren inmiddels ook gearriveerd – dat de operatie geslaagd was. Fase 1 zat erop. Nu moest hij nog wakker worden…

Iets later mocht ik bij hem en vroeg of hij me kon horen. En hij knikte! Kort daarna kwam hij helemaal bij en hij kon al zijn lichaamsfuncties nog gebruiken. Alles leek goed, alleen stelde hij steeds dezelfde vragen. De dag daarna werd duidelijk dat zijn kortetermijngeheugen is aangetast door de beroerte. Verder is hij er helemaal goed uitgekomen. De medici spraken van een klein wonder. Ik heb m’n twijfels bij God als losstaande entiteit, maar ik heb hem/haar/het toch maar een bedankje gestuurd.

Natuurlijk is de hersenschade flink schrikken. Maar we dachten echt dat hij het deze keer niet zou halen. Daarnaast is er met revalidatie nog heel veel vooruitgang te boeken en kan hij strategieën aanleren om hier goed mee om te gaan.

Hopelijk is dit echt de laatste stunt van die ouwe en gaat hij nu gewoon herstellen en genieten van zijn verdere leven.