Amy, Amy, een borderline tragedie

Amy - De Documentaire 1

‘Amy’ is een must-see documentaire – van de regisseur van ‘Senna‘ – over de veel te jong gestorven Britse zangeres Amy Winehouse. Geïnspireerd door zangeressen als Ella Fitzgerald en Carole King leerde Amy op jonge leeftijd zingen. In de hitparades vond ze in haar jeugd niks dat aansloot op haar emotionele leven, dus schreef ze haar eigen nummers. Muziek werd haar uitlaatklep. In het Verenigd Koninkrijk brak ze in 2003 door met het album ‘Frank’.

Het was duidelijk dat Amy een uniek talent was met een volledig eigen stijl en een eigen geluid. Ze wordt in ‘Amy’ beschreven als een oude ziel in een jong lichaam. Helaas heeft ook borderline bezit genomen van die ziel die haar lichaam begon te verwoesten met drugs, alcohol en boulimia. Het was waarschijnlijk niet seksueel misbruik dat de borderline heeft veroorzaakt, maar een belangrijke factor is het feit geweest dat haar vader haar moeder had verlaten. Ze plaatste haar vader op een voetstuk en haar vriendjes moesten de vaderrol vervullen.

Ze kreeg een stormachtige relatie met Blake Fielder, de liefde van haar leven. Gedurende die periode in 2005 begon haar lange strijd met verslavingen. Ze voelde ook de druk vanuit de platenmaatschappij en producenten die grote verwachtingen van haar hadden. Deze druk heeft het zelfdestructieve in Amy verder aangewakkerd.

Toen Fielder het uitmaakte en terugkeerde naar zijn vriendin, schreef de verscheurde Amy het album ‘Back to Black’, haar internationale doorbraak. Hierin bezingt ze haar ervaringen uit de voorgaande periode in tophits als ‘Rehab’, ‘You Know I’m No Good’ en ‘Back to Black’ (‘you go back to her and I go back to… black’). Met dit meesterlijke, authentieke album won ze alle mogelijke muzikale awards en werd ze steenrijk. Maar haar psychische problemen waren nog alles behalve getemd.

Ze kreeg opnieuw een relatie met Fielder en dit keer ging het duo samen aan de heroïne en crack-cocaïne. Ze raakte nu echt de weg kwijt en begon zakelijke verplichtingen, zoals grote optredens, grandioos te verknallen. Haar vrienden en relaties in de muziekwereld probeerden haar te helpen, maar het lukte keer op keer niet om haar leven op de rails te krijgen. De media – die Winehouse continu op vreselijke wijze benaderden en afschilderden – hielpen haar nog verder de afgrond in.

Toen Fielder de bak in draaide, lukte het Winehouse af te kicken van de drugs, maar ze was inmiddels zo ver van huis geraakt, dat het met de beste psychiatrische hulp ter wereld nog een enorme opgave zou zijn. En eentje die de volledige overgave van Amy zou vragen, wat er helaas op dat punt nog niet inzat. Ze overleed uiteindelijk aan de combinatie alcohol en ondervoeding wat hoogstwaarschijnlijk een fatale hartstilstand teweeg heeft gebracht.

Het is diep triest verlies voor iedereen, bovenal voor de prachtige Amy zelf. Ze was slim, grappig, getalenteerd en inspirerend. Haar muzikale nalatenschap is klein, maar sensationeel. Na het zien van ‘Amy’ geven haat albums een nog intenser luistergenot. Van alle eerbetuigingen is die van Tony Bennett – met wie Amy kort voor haar overlijden een duet zong – het mooiste: ‘Of all of the singers that I’ve ever heard – Amy was the best one. She was a true great pop jazz singer. She heard everything, she was influenced just by the right music. She had the ears to know just what to leave out and put in.’

Amy - De Documentaire 2

Advertenties

Fear and Loathing in Las Vegas: De ultieme trip van de jaren 70′

Door Jeppe Kleyngeld

‘Uppers are no longer stylish. Methedrine is almost as rare, on the 1971 market, as pure acid or DMT. ‘Consciousness Expansion’ went out with LBJ (Lyndon B. Johnson, red.). . . and it is worth noting, historically, that downers came in with Nixon.’
– Fear and Loathing in Las Vegas: A Savage Journey to the Heart of the American Dream (1971)

Deze must-read klassieker wordt wel samen met ‘Fear and Loathing: On the Campaign Trail ‘72‘ beschouwd als Gonzo journalist Hunter S. Thompson’s meesterwerk (het is mijn favoriete boek aller tijden). Beide boeken schreef hij in zijn hoogtijdagen begin jaren 70′, een bijzondere, vreemde en bewogen periode waarin Thompson’s creativiteit en talent tot geniale wasdom kwam.

‘We were somewhere around Barstow on the edge of the desert when the drugs began to take hold.’ Dit zijn de beruchte eerste woorden van deze literaire sensatie die veel weg heeft van een op hol geslagen hersenspinsel van Thompson. Zo omschrijft hij het een jaar later dan ook (min of meer) zelf op in ‘Fear and Loathing: On the Campaign Trail 72’. ‘I have a bad tendency to rush off on mad tangents and pursue them for fifty of sixty pages that get so out of control that I end up burning them, for my own good. One of the few exceptions to this rule occurred very recently, when I slipped up and let about two hundred pages go into print… ‘ Hiermee doelt Thompson op de oorspronkelijke tweedelige publicatie van ‘Fear and Loathing in Las Vegas’ in Rolling Stone Magazine op 11 en 25 november 1971.

Ter inspiratie van het Fear and Loathing manuscript gebruikte Thompson twee tripjes naar Las Vegas met goede vriend Oscar Zeta Acosta. Deze latino-activist vormde de basis voor het centrale personage Dr. Gonzo. Het werd een krankzinnig, met drugs en ether doordrenkt verhaal, dat als metafoor diende voor Amerika’s ‘Season in Hell’. De vredige jaren 60′ waren voor veel Amerikanen, waaronder Thompson, geëindigd in een complete depressie. Nixon was gekozen tot president en de volledig uit de klauwen gelopen Vietnam oorlog eiste steeds meer slachtoffers.

‘Fear and Loathing in Las Vegas’ vertelt het verhaal van de heilige missie van twee vrienden, de freak journalist Raoul Duke en zijn psychopathische advocaat Dr. Gonzo, om de Amerikaanse droom te vinden. Als die überhaupt nog bestond. Ze trekken naar Las Vegas (het zenuwcentrum van de Amerikaanse droom) om een woestijnrace te verslaan, maar al snel verlaten ze het werk en maken ze een serie bizarre en beangstigende trips mee. Daarbij trashen ze hotelkamers, komen ze in extreem angstaanjagende en paranoïde situaties terecht, hebben ze bizarre aanvaringen met representanten van de lokale gemeenschap en moeten ze elkaar behoeden voor totale zelfvernietiging.

De Britse cartoonist Ralph Steadman maakte de geniale tekeningen bij het boek

De Britse cartoonist Ralph Steadman maakte de geniale tekeningen bij het boek.

Het is een van de grappigste boeken ooit geschreven. Thompson’s gestoorde en paranoïde gedachtegangen zijn zo hilarisch dat ik het boek vaak moest wegleggen omdat ik te hard moest lachen. Vooral (voormalig) drugsgebruikers zullen zich goed kunnen verplaatsen in Thompson’s waanzinnige observaties en belevenissen. ‘By the time I got to the terminal I was pouring sweat. But nothing abnormal. I tend to sweat heavily in warm climates. My clothes are soaking wet from dawn to dusk. This worried me at first, but when I went to a doctor and described my normal daily intake of booze, drugs and poison he told me to come back when the sweating stopped.’

Bij het herlezen van het boek, vroeg ik me wederom af hoeveel van het verhaal echt is en hoeveel verzonnen. Het antwoord staat (min of meer) in ‘The Great Shark Hunt’, een verzameling eerder gepubliceerd werk van Thompson uitgegeven in 1979. Zoals bij vele klassieke verhalen is de ontstaansgeschiedenis van Fear and Loathing een interessant verhaal op zichzelf. Thompson werkte in deze turbulente dagen van de Amerikaanse geschiedenis aan een artikelenreeks over Ruben Salazar, een Mexicaans-Amerikaanse journalist die naar verluidt was vermoord door een Los Angeles hulpsheriff tijdens een anti-Vietnam demonstratie.

Een van de belangrijkste bronnen van het verhaal was Acosta, maar Thompson kon nauwelijks met hem praten omdat diens militante volgelingen geen blanken dulden in hun omgeving, of die van hun leider. Thompson en Acosta besloten naar Las Vegas te gaan waar Thompson de opdracht had om een verhaal te schrijven over de Mint 400 woestijnrace. Hier konden ze ontspannen praten over de kwestie Salazar. Wat volgde staat allemaal in het boek… Met de nodige toegevoegde waanzin uiteraard.

In het artikel over Fear and Loathing in ‘The Great Shark Hunt’ beschrijft Thompson dit boek als een mislukt experiment in Gonzo Journalistiek. Zijn idee was een notitieblok te kopen en daarin alles op te nemen zoals het gebeurde. Vervolgende wilde hij het notitieblok insturen voor publicatie, zonder enige aanpassing of opmaking. Het oog en de geest van de journalist zouden zo functioneren als de camera. Maar dit is verdomd moeilijk, stelt Thompson. Dus werd het een ander soort verhaal als hij oorspronkelijk in gedachten had.

Het magazine Sport Illustrated, waarvoor hij het Mint 400 verhaal zou schrijven, wezen het manuscript af en weigerden Thompson zijn onkosten te vergoeden. Na het vertrek van Acosta uit Vegas zat Thompson daar met een hotelschuld die hij niet kon betalen. Hij vluchtte uit Nevada en dook onder in Arcadia, nabij Los Angeles. In een week van slapen en schrijven tekende hij het Salazar verhaal op. Maar elke avond rond middernacht werkte hij ter ontspanning een paar uurtjes aan het ‘gestoorde’ Las Vegas verhaal.

Toen hij weer in San Francisco kwam bij het hoofdkwartier van Rolling Stone Magazine om het Salazar verhaal door te lopen, nam uitgever Jann Wenner het Vegas manuscript, dat inmiddels 5.000 woorden omvatte, serieus als losstaande publicatie. Thompson kreeg een publicatiedatum en geld om er verder aan te werken. Het eindresultaat kan ik onmogelijk beter omschrijven dan Thompson zelf; ‘Fear and Loathing in Las Vegas will have to be chalked off as a frenzied experiment, a fine idea that went crazy about halfway through… a victim of its own conceptual schizophrenia, caught & finally crippled in that vain, academic limbo between ‘journalism’ & ‘fiction’. And then hoist on its own petard of multiple felonies and enough flat-out crime to put anybody who’d admit to this kind of stinking behavior in the Nevada State Prison until 1984.’

In de oorspronkelijke publicatie in Rolling Stone Magazine stond ‘geschreven door Raoul Duke’. Thompson was bang in de problemen te raken als hij onder zijn eigen naam zou publiceren, omdat hij zichzelf in het verhaal toch afschildert als dronken, hallucinerende crimineel. Toen het boek uitkwam in 1971 waren de kritieken wisselend, maar er waren veel critici die het werk herkende als belangrijke Amerikaanse literatuur. Daarnaast werd het boek een groot cult succes. ‘Fear and Loathing in Las Vegas’ grijpt perfect de zeitgeist van de periode na de jaren 60’ en veel fans voelden zich hierdoor aangetrokken.

In 1996 kwam er een audioboek versie uit van Margaritaville Records and Island Records om het 25 jarige bestaan van het boek te vieren. De stemmen werden verzorgd door Harry Dean Stanton (verteller/Hunter S. Thompson), Jim Jarmusch (Raoul Duke) en Maury Chaykin (Dr. Gonzo). Misschien komt omdat ik de film vaak gezien hebt met de briljante optredens van Johnny Depp en Benicio Del Toro, maar ik vond het een erg slechte audio adaptatie. De stemmen kloppen niet bij de karakters die verbeeld worden en de acteurs lijken zich niet echt in te leven in de teksten.

Het boek was ook voorbestemd om ooit verfilmd te worden. Dit duurde echter een lange tijd. Beroemd animator Ralph Bakshi wilde er een tekenfilm van maken in de stijl van cartoonist Ralph Steadman die de briljante illustraties bij het boek verzorgde, maar dit ging niet door. Tijdens het langdurige ontwikkeltraject van de film zijn verschillende acteurs overwogen. In eerste instantie waren dat Jack Nicholson en Marlon Brando als Raoul Duke en Dr. Gonzo, maar zij werden te oud. Daarna werden Blues Brothers Dan Aykroyd en John Belushi overwogen, maar dat idee ging overboord toen Belushi overleed. Later werd John Malkovich overwogen voor de rol van Duke, maar ook hij werd te oud. Daarna werd John Cusack overwogen die een toneelversie van Fear and Loathing had geregisseerd. Maar toen ontmoette Thompson Johnny Depp en hij raakte ervan overtuigd dat Depp de aangewezen persoon was om Duke te spelen.

De film, geregisseerd door Terry Gilliam, en met Johnny Depp en Benicio Del Toro (als Dr. Gonzo) kwam uit in 1998 en werd – net als het boek – een groot cult succes.

Icon 15 - Bats

Heerlijk nostalgisch: Actiefilms uit de jaren 80/90

Toen ik opgroeide in de jaren 80’ en 90’, de tijd dat we films nog huurden op VHS-tapes bij videotheken, was ik verslaafd aan hersenloze actiefilms. Schwarzenegger, Willis, Stallone, Van Damme en Seagal waren mijn voornaamste helden toen.

Dan was er ook nog de B-klasse waar oa. Dolph Lundgren en Chuck Norris deel van uitmaakte. Of C-klassers zoals Michael Dudikoff (je weet wel. die dude van ‘American Ninja‘). En dan waren er nog Bruce Lee, zijn zoon Brandon Lee, Wesley Snipes, Keanu Reeves, Mel Gibson, Kurt Russell en nog een paar die ik nu vergeet.


Maria Shriver kan hem wel schieten.

De films waren meestal slecht, maar als ze een aantal ingrediënten bevatte was ik blij, namelijk;
1. Een vermakelijke schurk;
2. Minstens om het kwartier een actiescène of moord;
3. Lijken bij bosjes;
4. Humor (eventueel).

Van de week werd mijn lust voor dit genre weer opgewekt door een artikel dat ik las op filmwebsite Empire. Hier worden veel van mijn favoriete actiefilms besproken, zoals ‘Predator’ en ‘Commando’. De meeste hiervan heb ik sinds mijn jeugd nog minstens één keer gezien, maar eentje was ik bijna compleet vergeten. Ik heb het over één van mijn favoriete films uit die tijd. Een film die uitblinkt in stompzinnige actiescènes en explosies, geen verhaal bevat, maar wel enorm slecht acteerwerk. Ik heb het over ‘Delta Force 2: The Colombian Connection‘.

Ik kreeg zo’n verschrikkelijke zin om deze film weer te zien, dat ik direct het winkelcentrum ben in gerend om hem aan te schaffen. Bij Intertoys had ik geluk en voor drie miezerige euro’s was ik eigenaar van Delta Force 2, die ook nog eens geleverd werd in een fantastische box, waar ook de toppers ‘Delta Force 1’ en ‘Logan’s War’ bij zaten.

Die tagline! Dat doet gewoon iets met je.

Zo geschiedde. Afgelopen weekend keek ik naar fucking ‘Delta Force 2’. In de eerste ‘Delta Force’ namen Scott McCoy en zijn collega ijzervreters het op tegen Libanese terroristen. In deel 2 zijn de drugskartels in Zuid Amerika aan de beurt. Aan het hoofd hiervan staat de ultieme smeerlap Ramon Cota, die zelfs baby’s laat vermoorden. McCoy weet hem te arresteren, maar hij komt weer vrij en ontvoerd wat DEA collega’s van hem. Tijd voor McCoy’s team om met grof geweld het hele kartel om zeep te helpen. Oh yeah.

Hoe voldoet de film aan de criteria?
1. Goed! Billy Drago (wie? Zie IMDb) speelt een gluiperige drugsbaas, een rol die hem op zijn lijf is geschreven. Veel beter kun je het niet krijgen.
2. De actie zit vooral in de tweede helft, waarin de missie ‘vernietig alles’ plaatsvindt. Zodra de actie arriveert, is het het wachten meer dan waard geweest.
3. Circa 75 lijken. Lang niet slecht dus.
4. Humor zit er ook nog in. Het overdreven Amerikaanse militaire machogedoe lijkt bijna een parodie op zichzelf. Een soort ‘Team America: World Police‘. Vrij hilarisch.

Vrijetijdskleding is niet echt zijn ding.

Tijdens de opname zijn trouwens vijf cast & crewmembers om het leven gekomen bij een helikopterongeluk. GESTORVEN-VOOR-FUCKING-DELTA-FORCE-2!! Maar, het is het zeker waard geweest, mannen. Ik had deze film voor geen goud willen missen. Het gevoel van nostalgie heeft me erg goed gedaan.


And remember kids: Don’t fuck with Chuck!

Zie ook mijn IMDb-lijst: 50 Nostalgic Action Movies From My Childhood – 1980-1993

Bedrijfsleven Nederland is braaf (geworden)

Toen ik begon in de business journalistiek, bijna 4 jaar geleden, had ik nog een heel ander beeld bij het bedrijfsleven. Ik zag mezelf wel conferenties en kantoorpanden afstruinen, zoekend naar excessen in drugs, vrouwen of onbehoorlijk gedrag. Nou ja, niet echt dat natuurlijk, maar meer opvallend en opmerkelijk gedrag binnen de zakenwereld had ik toch wel verwacht, ja.

Geïnspireerd door Hunter S. Thompson, uitvinder van de Gonzo journalistiek – een werkwijze waarbij de journalist alles vanuit eigen perspectief vertelt en al zijn ruwe materiaal onbewerkt publiceert – zou ik de zakenmensen en gebeurtenissen beschrijven. Misdragingen voorzien van subtiele kritiek. Lekkere journalistiek waar we toch al weinig van zien deze dagen.

Inmiddels kan ik stellen dat de heren bedrijfsleven zich in Nederland keurig netjes gedragen. Af en toe een foute opmerking over Chinezen of Indiërs tijdens een rondetafeldiscussie over outsourcing, maar daar is het wel grotendeels mee gezegd. Het ruwe materiaal publiceren zou ook weinig onthullends opleveren (nu gaat alles keurig langs corporate communications). Vorige week toen ik een verslag van collega Michiel uitwerkte stond er in zijn aantekeningen over een recente bijeenkomst voor CFO’s waar hij bij was geweest:

Main dude: “ha ha, stropdas in de auto laten liggen, ik ben duidelijk in de minderheid.”

Niet heel onthullend, nee. In de afgelopen vier jaar en kredietcrisis zijn er wel degelijk wat ‘mooie’ verhalen geweest in Nederland over excessen en onethisch gedrag. Het eerste wat me zo te binnen schiet is Dirkje Scheringa en zijn DSB Bank. Maar, inmiddels anno 2011, wordt het braver en braver. Onlangs op een enorme conferentie voor financiële toplui stond het onderwerp duurzaamheid op het programma. Duurzaamheid!! Vier jaar terug was het nog ‘What leads to high performance’, oftewel keiharde winst ($$$) maken.

In Het Financieele Dagblad van afgelopen week riep Feike Sijbesma, CEO van DSM, op om massaal geld te doneren aan Oost-Afrika. Wat is er gebeurd met de inhalige wolven die corporate Nederland ooit domineerden? Of komen die alleen in de VS voor?

De wereld is echt aan het veranderen. En er lijkt iets goeds uit te gaan komen, of tenminste iets beters dan er was. Niet om melancholisch te klinken, maar waar zijn de dagen dat bankiers de samenleving van miljoenen beroofden? De American Psycho days? Misschien is het allemaal van korte duur en kan ik alsnog onthullende rapportages gaan maken over boeven in maatpak. Maar met een betere wereld neem ik ook wel genoegen.