Existentialism (2)

Existentialism (2)

‘Filosofie zou niet alleen over nadenken moeten gaan. Mensen zijn meer dan alleen denkers met een lichaam eraan vast. Het zoeken van de waarheid is misschien wel het doel van de filosoof, maar mensen ervaren een enorme variëteit aan emoties die de waarheid inkleuren. Mensen denken niet, ze bestaan (exist). En daar zou filosofie om moeten gaan: existentialism.’

Aldus de Deense filosoof Søren Kierkegaard, die de term existentialism bedacht. De op een kikker lijkende Franse filosoof Jean-Paul Sartre vond dit fascinerend en adapteerde deze filosofie en werd in de jaren na de tweede wereldoorlog boegbeeld van deze filosofische stroming.

Het eerste wat me moeten begrijpen is dat we het niet begrijpen. Voor Sartre was subjectiveit waarheid. Existentialism stond voor hem voor ultieme vrijheid om onze eigen levens te kiezen, hoe verwarrend en angstig dit ook maakt. Sartre studeerde overigens niet existentialism, maar fenomenologie, een filosofische studie naar de structureren van ervaring en bewustzijn, oorspronkelijk bedacht door Edmund Husserl.

‘Dat je in interessante tijden mag leven’. Dit is een Chinese vloek die ooit over Sartre werd uitgesproken. Hij leefde in zulke ‘interessante’ tijden namelijk. Hij woonde in Berlijn ten tijde van de opkomst van Hitler. Terwijl Hitler’s stormtroopers door de straten marcheerde, zat Sartre binnen en hield hij zich alleen bezig met zijn eigen ervaringen. Dit is typisch existentialism – de realiteit om je heen compleet links laten liggen en je puur richten op je eigen zintuigelijke introspectieve ervaring.

Sartre schreef een boek over zijn persoonlijke fenomenologische queeste: La Nausée (‘De Walging’). Het gaat over het autobiografische karakter Antoine Roquentin die een doelloos bestaan lijdt in het provinciale dorpje Bouville (‘Mud Town’). Er gebeurt zeer weinig en dat is misschien wel het punt als het leven geen doel heeft. La Nausée wordt algemeen geroemd als het meest geslaagde portret van de existentiële conditie ooit geschreven.

Een passage:

I must leave, I am vacillating. I dare not make a decision. If I were sure I had talent. . . . But I have never—never written anything of that sort. Historical articles, yes—lots of them. A book. A novel. And there would be people who would read this book and say: “Antoine Roquentin wrote it, a red-headed man who hung around cafes,” and they would think about my life as I think about the Negress’s: as something precious and almost legendary. A book. Naturally, at first it would only be a troublesome, tiring work, it wouldn’t stop me from existing or feeling that I exist. But a time would come when the book would be written, when it would be behind me, and I think that a litt’e of its clarity might fall over my past. Then, perhaps, because of it, I could remember my life without repugnance. Perhaps one day, thinking precisely of this hour, of this gloomy hour in which I wait, stooping, for it to be time to get on the train, perhaps I shall feel my heart beat faster and say to myself: “That was the day, that was the hour, when it all started.” And I might succeed —in the past, nothing but the past—in accepting myself. Night falls. On the second floor of the Hotel Printania two windows have just lighted up. The building-yard of the New Station smells strongly of damp wood: tomorrow it will rain in Bouville.

De wijsheid van Socrates

Mensen weten helemaal niks. Ze denken alleen veel te weten.

In het oude Griekenland – in Athene om precies te zijn – liep er dagelijks een eigenaardig mannetje op straat iedereen vragen te stellen over uiteenlopende onderwerpen. Dat iemand dat doet is bijzonder. Mensen stellen elkaar eigenlijk heel weinig vragen. De meeste mensen vinden het fijner om aan het woord te zijn. Luisteren kost ze veel moeite.

Het vragen stellende mannetje heette Socrates (ca. 469 v.Chr. – 399 v.Chr.) en hij is één van de grondleggers van de filosofie. Filosofie betekent zoiets als ‘liefde voor de wijsheid’. Een passende definitie is: ‘Filosofie is het nadenken over het denken zelf en over het object van het denken. Meer concreet kan men zeggen dat de filosofie zich bezighoudt met vragen die door de wetenschap niet kunnen worden beantwoord of niet eens worden gesteld, zoals bijvoorbeeld de meest fundamentele vraag waarom er iets bestaat en niet veeleer niets.’

De meeste mensen die iets weten vragen niet verder, terwijl naar wij als mensen onmogelijk alles al kunnen weten over iets. Zelfs als we de feiten hebben kunnen we ons afvragen of de realiteit die we ervaren wel echt is. Kunnen we 100 procent aannemen dat het klopt dat wat onze zintuigen ons vertellen wat waar is? Nee, natuurlijk niet. Daarom is het nuttig en terecht om vragen te blijven stellen, ook al wordt dat vaak – zoals ook in het geval van Socrates – als bijzonder irritant ervaren.

Een vriend van Socrates bezocht het onfeilbare orakel van Delphi en vroeg haar: ‘Is er iemand wijzer dan Socrates?’ Het antwoord van het orakel was: ‘Nee, er is niemand wijzer dan Socrates.’ Toen Socrates dit hoorde van zijn vriend was hij verbaasd. Er waren toch zoveel mensen rondom hem met onuitputtelijke kennis? Maar jaren later begreep hij wat het orakel had bedoeld. Wijsheid is niet het kennen van zoveel mogelijk feiten, althans zaken die men voor feit aanneemt. Het is juist alle kennis ter discussie stellen om zo te komen tot steeds nieuwe inzichten over het leven en de wereld om ons heen. Socrates bezat die wijsheid. Hij was geen geleerde met een enorm ego die ermee pochte de wijsheid in pacht te hebben. Wat hij deed was vragen stellen. En dat is de les die hij voor ons heeft achtergelaten: ‘I know that I know nothing’. Dus stel veel vragen en blijf ze stellen.

Socrates