Photo by J.Kleyngeld
Shot with Hipstamatic
Lens: Leonard
Film: Telegraph
Man’s Search For Meaning
‘He who has a why can almost endure any how’
NIETZSCHE
Mijn zoektocht naar de betekenis van het leven lijkt voltooid na het lezen van Viktor Frankl’s ‘Man’s Search for Meaning’ uit 1946.
Frankl overleefde in de Tweede Wereldoorlog verschillende concentratiekampen, waaronder Auschwitz, en bedacht vervolgens – deels gebaseerd op basis van zijn eigen ervaringen en observaties in het kamp – een nieuw soort psychotherapie genaamd ‘logotherapy’. Logotherapie is een vorm van existentiële analyse, een zoektocht naar betekenis voor de patiënt. De meeste, zo niet alle, levensproblemen zijn terug te voeren op de zoektocht naar betekenis, volgens Frankl.
Dit is een positiever uitgangspunt van Ernest Becker die in ‘The Denial of Death’ stelt dat angst voor de dood onze voornaamste drijfveer is.
Volgens Frankl heeft ieder mens een vrijelijk gekozen taak nodig voor hem of haar om te vervullen. Deze taak geeft betekenis aan zijn/haar leven. De betekenis van het leven verschilt van persoon tot persoon en van moment tot moment. Vraag aan een schaakmeester wat de best mogelijke zet is en dan kan hij dat niet in zijn algemeenheid beantwoorden. Het hangt af van de tegenstander en de positie van de stukken. Zo is het ook met onze individuele zoektocht naar betekenis. Iedereen kan de vraag alleen voor zichzelf beantwoorden en – heel belangrijk – is daar zelf verantwoordelijk voor.
De logotherapeut helpt de patiënt om het hele veld rondom hem/haar zichtbaar te maken zodat de keuzes duidelijker worden. Frankl beschrijft de situatie van een man die bij hem kwam en er niet overheen kwam dat zijn vrouw was overleden. Frankl vroeg hem; ‘wat als het andersom was geweest?’ De man antwoorde dat dat rampzalig was geweest; zijn vrouw was kapot geweest. Frankl vertelde hem toen dat hij hier al veel betekenis uit kon halen; door zijn opoffering hoefde zijn vrouw niet te lijden. De man begreep het en hij liep zonder nog wat te zeggen het kantoor uit.
Er zijn drie manieren om betekenis te ontdekken:
1. Een werk voltooien of een daad stellen.
2. Iets ervaren of een bijzondere ontmoeting meemaken (liefde, natuur, schoonheid, waarheid, goedheid).
3. De houding die we aannemen ten aanzien van onvermijdelijk lijden.
Die laatste licht Frankl toe aan de hand van zijn Holocaust-ervaring. Zelfs in die horror kun je je nog voorstellen dat jouw dierbaren naar je kijken en aan je denken. Hoe wil jij dat ze zien hoe jij je lijden draagt? Dat is betekenis geven aan onvermijdelijk lijden. En het lijden houdt op lijden te zijn wanneer er betekenis gevonden wordt.
Tot slot een waardevol advies voor het ontdekken van betekenis; leef je leven alsof je het al voor de tweede keer leeft, en dat je het tijdens je eerste leven al zo verkeerd hebt gedaan als je nu op het punt staat te doen.
Intermezzo #144
So I’m pickin’ ‘em up and I’m laying ‘em down.
I believe he’s gonna work me into the ground.
I pull to the left, I heave to the right.
I want to kill him but it wouldn’t be right.
Working For The Man
Roy Orbison (1962), In Dreams: The Greatest Hits
Lessen in merkenkracht van Cor Boonstra
Een merk is de kern van de waarde van je bedrijf, stelt oud-bestuurder Cor Boonstra in het onlangs verschenen business boek ‘Boonstra: 19 lessen uit het leven van Nederlands meest dwarse CEO’, opgetekend door reclameman Manfred Bik.
Merken zijn vandaag de dag ondergewaardeerd. Boonstra: “Mensen denken tegenwoordig: O ja, een merk… Jongens, een merk, er moet ook nog een merk op – verzin even wat.”
Dat levert geen echte relevantie op. In de tijd van Boonstra werkte dat heel anders. Het spel bij de bedrijven waar hij met de scepter zwaaide – Douwe Egberts, Sara Lee en Philips – was merken opkweken en dan in zoveel mogelijk markten uitrollen. Een merk wordt groot gemaakt door maar twee dingen: een sterke belofte verpakt in een goed idee, en een consequente uitvoering in iedere verschijningsvorm van dat merkidee, hoe minutieus ook.
De les van Boonstra is dan ook: ‘Een merk is als een religie, dus moet je het ook behandelen als een religie.’
Dat gevoel dat je over een merk kan hebben kun je niet faken. Boonstra: “in de winkel van mijn ouders had je haast geen artikelen met een merk erop. het waren bijna allemaal blanco spullen. Eieren, meel, melk, suiker uit een vat. En daartussen stond dan dat prachtige fiere rode pak met die juffrouw met de koffiekan erop en die mooie letters! Bovendien was het hartstikke Fries. Zoals je ook bij Philips altijd een zekere trots voelde, omdat het Nederlands was.”
Daarnaast speelde oog voor detail – soms bezetenheid genoemd – een grote rol. Een ex-medewerker: “We werden er soms gek van hoe hij kon doorgaan over een minutieus dingetje. Er moesten bijvoorbeeld altijd verse witte bloemen zijn in Utrecht, in mooie vazen, omdat meneer Boonstra dan vond dat de boel er zo fijn uitzag op kantoor. Het is maar één voorbeeldje, maar het punt was: hij lette op alles, echt alles.” Voor Boonstra bestaan er helemaal geen ‘minutieuze dingetjes’. Het is allemaal onderdeel van de essentie, zegt hij.
In een interview uit 1993 zei hij hierover: “Niets in een organisatie is te pietluttig om er niet op te letten. Alles telt mee, tot in het kleinste detail. Of het nu gaat om een dopje op een deodorant of om een bepaalde kleurcode, je moet álles serieus nemen. Ik kan ook kwaad worden als de kleur rood op een Douwe Egberts-geschenkenwinkel verbleekt is en niemand dat aangepast heeft omdat ze kleurenblind zijn. Als iets afwijkt van de standaard kan ik daar nijdig over worden. Juist van de waarde van onze merkartikelen moeten wij het hebben. Als je daaraan op je eigen houtje gaat zitten schaven, ondergraaf je ons kostbaarste bezit. Daar mag niemand met zijn vingers aankomen.”
De essentie van zijn betoog is helder: een merk, dat is zoiets als een religie en moet je ook behandelen als een religie.



