Lessen in scenarioschrijven #2 – Inspiratie

Voor dit deel over inspiratie laten we ons inspireren door onafhankelijk filmmakers Jim Jarmusch en David Lynch.

Iedere film is ooit begonnen als een idee. David Lynch zegt over dit allereerste idee: “An idea is a thought. It’s a thought that holds more than you think it does when you receive it. But in that first moment is a spark. In a comic strip, if someone gets an idea, a lightbulb goes on. It happens in an instant, just as in life. It would be great if the entire film came all at once. But it comes, for me, in fragments. The first fragment is like the Rosetta Stone. It’s the piece of the puzzle that indicates the rest. It’s a hopeful puzzle piece.”

Hij geeft vervolgens het voorbeeld van hoe zijn meesterwerk ‘Blue Velvet’ ooit begon met een idee: “In ‘Blue Velvet’, it was red lips, green lawns, and the song – Bobby Vinton’s version of ‘Blue Velvet’. The next thing was an ear lying in a field. And that was it. You fall in love with the first idea, that little tiny piece. And once you’ve got it, the rest will come in time.”


Bron: ‘Catching the Big Fish’

In het geval van Lynch is de bron van zijn ideeën zijn eigen verbeelding. Maar die verbeelding is gevoed door het collectieve bewustzijn waar alle ideeën vandaan komen. Je hoeft niet bang te zijn om te stelen, want echte originaliteit bestaat niet. Het gaat om authenticiteit. Stelen is niet alleen toegestaan, het is zelfs aangemoedigd.

Het volledige advies van Jim Jarmusch is daarom:


Bron: Theedoek gespot in EYE Filmmuseum

Zoals in het vorige deel besproken, is het idee de allereerste stap van het scenario. Maar gezien de tijd en moeite die het kost een scenario te schrijven, is het verstandig kritisch naar het idee te kijken. Wat is het commercieel potentieel van het idee? Is er een publiek voor? Wie gaat het financieren? Verzamel je ideeën voor scenario’s en kies uiteindelijk het meest kansrijke idee uit om verder mee te gaan.

In het volgende deel (en mijn favoriet) van deze vierdelige serie bespreek ik hoe je symboliek kunt gebruiken in je scenario.

Advertenties

Fear and Loathing in Las Vegas: De ultieme trip van de jaren 70′

Door Jeppe Kleyngeld

‘Uppers are no longer stylish. Methedrine is almost as rare, on the 1971 market, as pure acid or DMT. ‘Consciousness Expansion’ went out with LBJ (Lyndon B. Johnson, red.). . . and it is worth noting, historically, that downers came in with Nixon.’
– Fear and Loathing in Las Vegas: A Savage Journey to the Heart of the American Dream (1971)

Deze must-read klassieker wordt wel samen met ‘Fear and Loathing: On the Campaign Trail ‘72‘ beschouwd als Gonzo journalist Hunter S. Thompson’s meesterwerk (het is mijn favoriete boek aller tijden). Beide boeken schreef hij in zijn hoogtijdagen begin jaren 70′, een bijzondere, vreemde en bewogen periode waarin Thompson’s creativiteit en talent tot geniale wasdom kwam.

‘We were somewhere around Barstow on the edge of the desert when the drugs began to take hold.’ Dit zijn de beruchte eerste woorden van deze literaire sensatie die veel weg heeft van een op hol geslagen hersenspinsel van Thompson. Zo omschrijft hij het een jaar later dan ook (min of meer) zelf op in ‘Fear and Loathing: On the Campaign Trail 72’. ‘I have a bad tendency to rush off on mad tangents and pursue them for fifty of sixty pages that get so out of control that I end up burning them, for my own good. One of the few exceptions to this rule occurred very recently, when I slipped up and let about two hundred pages go into print… ‘ Hiermee doelt Thompson op de oorspronkelijke tweedelige publicatie van ‘Fear and Loathing in Las Vegas’ in Rolling Stone Magazine op 11 en 25 november 1971.

Ter inspiratie van het Fear and Loathing manuscript gebruikte Thompson twee tripjes naar Las Vegas met goede vriend Oscar Zeta Acosta. Deze latino-activist vormde de basis voor het centrale personage Dr. Gonzo. Het werd een krankzinnig, met drugs en ether doordrenkt verhaal, dat als metafoor diende voor Amerika’s ‘Season in Hell’. De vredige jaren 60′ waren voor veel Amerikanen, waaronder Thompson, geëindigd in een complete depressie. Nixon was gekozen tot president en de volledig uit de klauwen gelopen Vietnam oorlog eiste steeds meer slachtoffers.

‘Fear and Loathing in Las Vegas’ vertelt het verhaal van de heilige missie van twee vrienden, de freak journalist Raoul Duke en zijn psychopathische advocaat Dr. Gonzo, om de Amerikaanse droom te vinden. Als die überhaupt nog bestond. Ze trekken naar Las Vegas (het zenuwcentrum van de Amerikaanse droom) om een woestijnrace te verslaan, maar al snel verlaten ze het werk en maken ze een serie bizarre en beangstigende trips mee. Daarbij trashen ze hotelkamers, komen ze in extreem angstaanjagende en paranoïde situaties terecht, hebben ze bizarre aanvaringen met representanten van de lokale gemeenschap en moeten ze elkaar behoeden voor totale zelfvernietiging.

De Britse cartoonist Ralph Steadman maakte de geniale tekeningen bij het boek

De Britse cartoonist Ralph Steadman maakte de geniale tekeningen bij het boek.

Het is een van de grappigste boeken ooit geschreven. Thompson’s gestoorde en paranoïde gedachtegangen zijn zo hilarisch dat ik het boek vaak moest wegleggen omdat ik te hard moest lachen. Vooral (voormalig) drugsgebruikers zullen zich goed kunnen verplaatsen in Thompson’s waanzinnige observaties en belevenissen. ‘By the time I got to the terminal I was pouring sweat. But nothing abnormal. I tend to sweat heavily in warm climates. My clothes are soaking wet from dawn to dusk. This worried me at first, but when I went to a doctor and described my normal daily intake of booze, drugs and poison he told me to come back when the sweating stopped.’

Bij het herlezen van het boek, vroeg ik me wederom af hoeveel van het verhaal echt is en hoeveel verzonnen. Het antwoord staat (min of meer) in ‘The Great Shark Hunt’, een verzameling eerder gepubliceerd werk van Thompson uitgegeven in 1979. Zoals bij vele klassieke verhalen is de ontstaansgeschiedenis van Fear and Loathing een interessant verhaal op zichzelf. Thompson werkte in deze turbulente dagen van de Amerikaanse geschiedenis aan een artikelenreeks over Ruben Salazar, een Mexicaans-Amerikaanse journalist die naar verluidt was vermoord door een Los Angeles hulpsheriff tijdens een anti-Vietnam demonstratie.

Een van de belangrijkste bronnen van het verhaal was Acosta, maar Thompson kon nauwelijks met hem praten omdat diens militante volgelingen geen blanken dulden in hun omgeving, of die van hun leider. Thompson en Acosta besloten naar Las Vegas te gaan waar Thompson de opdracht had om een verhaal te schrijven over de Mint 400 woestijnrace. Hier konden ze ontspannen praten over de kwestie Salazar. Wat volgde is allemaal in het boek… Met de nodige toegevoegde waanzin uiteraard.

In het artikel over Fear and Loathing in ‘The Great Shark Hunt’ beschrijft Thompson dit boek als een mislukt experiment in Gonzo Journalistiek. Zijn idee was een notitieblok te kopen en daarin alles op te nemen zoals het gebeurde. Vervolgende wilde hij het notitieblok insturen voor publicatie, zonder enige aanpassing of opmaking. Het oog en de geest van de journalist zouden zo functioneren als de camera. Maar dit is verdomd moeilijk, stelt Thompson. Dus werd het een ander soort verhaal als hij oorspronkelijk in gedachten had.

Het magazine Sport Illustrated, waarvoor hij het Mint 400 verhaal zou schrijven, weigerden het manuscript en wilden Thompson geen cent van zijn kosten vergoeden. Na het vertrek van Acosta uit Vegas zat Thompson daar met een hotelschuld die hij niet kon betalen. Hij vluchtte uit Nevada en dook onder in Arcadia, nabij Los Angeles. In een week van slapen en schrijven tekende hij het Salazar verhaal op. Maar elke avond rond middernacht werkte hij ter ontspanning een paar uurtjes aan het ‘gestoorde’ Las Vegas verhaal.

Toen hij weer in San Francisco kwam bij het hoofdkwartier van Rolling Stone Magazine om het Salazar verhaal door te lopen, nam uitgever Jann Wenner het Vegas manuscript, dat inmiddels 5.000 woorden omvatte, serieus als losstaande publicatie. Thompson kreeg een publicatiedatum en geld om er verder aan te werken. Het eindresultaat kan ik onmogelijk beter omschrijven dan Thompson zelf; ‘Fear and Loathing in Las Vegas will have to be chalked off as a frenzied experiment, a fine idea that went crazy about halfway through… a victim of its own conceptual schizophrenia, caught & finally crippled in that vain, academic limbo between ‘journalism’ & ‘fiction’. And then hoist on its own petard of multiple felonies and enough flat-out crime to put anybody who’d admit to this kind of stinking behavior in the Nevada State Prison until 1984.’

In de oorspronkelijke publicatie in Rolling Stone Magazine stond ‘geschreven door Raoul Duke’. Thompson was bang in de problemen te raken als hij onder zijn eigen naam zou publiceren, omdat hij zichzelf in het verhaal toch afschildert als dronken, hallucinerende crimineel. Toen het boek uitkwam in 1971 waren de kritieken wisselend, maar er waren veel critici die het werk herkende als belangrijke Amerikaanse literatuur. Daarnaast werd het boek een groot cult succes. ‘Fear and Loathing in Las Vegas’ grijpt perfect de zeitgeist van de periode na de jaren 60’ en veel fans voelden zich hierdoor aangetrokken.

In 1996 kwam er een audioboek versie uit van Margaritaville Records and Island Records om het 25 jarige bestaan van het boek te vieren. De stemmen werden verzorgd door Harry Dean Stanton (verteller/Hunter S. Thompson), Jim Jarmusch (Raoul Duke) en Maury Chaykin (Dr. Gonzo). Misschien komt omdat ik de film vaak gezien hebt met de briljante optredens van Johnny Depp en Benicio Del Toro, maar ik vond het een erg slechte audio adaptatie. De stemmen kloppen niet bij de karakters die verbeeld worden en de acteurs lijken zich niet echt in te leven in de teksten.

Het boek was ook voorbestemd om ooit verfilmd te worden. Dit duurde echter een lange tijd. Beroemd animator Ralph Bakshi wilde er een tekenfilm van maken in de stijl van cartoonist Ralph Steadman die de briljante illustraties bij het boek verzorgde, maar dit ging niet door. Tijdens het langdurige ontwikkeltraject van de film zijn verschillende acteurs overwogen. In eerste instantie waren dat Jack Nicholson en Marlon Brando als Raoul Duke en Dr. Gonzo, maar zij werden te oud. Daarna werden Blues Brothers Dan Aykroyd en John Belushi overwogen, maar dat idee ging overboord toen Belushi overleed. Later werd John Malkovich overwogen voor de rol van Duke, maar ook hij werd te oud. Daarna werd John Cusack overwogen die een toneelversie van Fear and Loathing had geregisseerd. Maar toen ontmoette Thompson Johnny Depp en hij raakte ervan overtuigd dat Depp de aangewezen persoon was om Duke te spelen.

De film, geregisseerd door Terry Gilliam, en met Johnny Depp en Benicio Del Toro (als Dr. Gonzo) kwam uit in 1998 en werd – net als het boek – een groot cult succes.

Icon 15 - Bats

Mijn Top 20 favoriete filmmakers

1. Martin Scorsese
Verantwoordelijk voor mijn favoriete film aller tijden: GoodFellas. Maar maakte talloze andere meesterwerken; Raging Bull, Taxi Driver, Casino, en vele anderen. Scorsese is een echte maestro die nooit teleur stelt.
Beste film: GoodFellas

2. Sergio Leone
Leefde te kort om een enorm portfolio na te laten, maar alles wat hij gedaan heeft is te gek. The Dollars Trilogy met Eastwood zijn de coolste films ooit en Once Upon a Time in America is een geniaal gangster epos.
Beste film: Once Upon a Time in the West

3. Quentin Tarantino
Maakt originele & uber coole films die hij baseert op onbekende pareltjes. Zijn meesterwerk is nog altijd Pulp Fiction, maar Reservoir Dogs en Kill Bill zijn bijna net zo briljant. Maakt nooit iets ondermaats.
Beste film: Pulp Fiction

4. Peter Jackson
Wist de onmogelijke missie om The Lord of the Rings te verfilmen tot een onvoorstelbaar succes te maken. Was daarvoor al een geweldig regisseur die Nieuw-Zeelandse splatter horror films maakte zoals Bad Taste en Braindead.
Beste film: The Lord of the Rings: The Two Towers

5.
The Coen Brothers
Hun oog voor bizarre personages is hyper ontwikkeld, hun humor onovertroffen en hun pen vlijmscherp. Ze maken om de twee jaar een te gekke film al zo’n 25 jaar lang, met hun hoogtepunt in de jaren 90 toen ze achtereenvolgens Fargo, The Big Lebowski en O Brother, Where Art Thou? maakte.
Beste film: Miller’s Crossing

6. Stanley Kubrick
De perfectionist. Leverde meesterwerken af die voor altijd verankerd zijn in de filmgeschiedenis. Wist uit te blinken in verschillende genres waaronder sci-fi (2001: A Space Odyssey), oorlog (Full Metal Jacket) en misdaad (The Killing)
Beste film: A Clockwork Orange

7. Steven Spielberg
Objectief de beste regisseur ter wereld. Weet de magie van film te pakken als geen ander. Heeft talloze klassiekers op zijn staan waaronder E.T.: The Extra-Terrestrial, Close Encounters of the Third Kind, Schindler’s List en Jurassic Park.
Beste film: Raiders of the Lost Ark

8.
Alfred Hitchcock
Hitchcock weet van een kartonnen doos nog tot een super spannend voorwerp te maken. Ze noemen hem niet voor niets de Master of Suspense. Is waarschijnlijk de meest invloedrijke regisseur ooit. Talloze scènes uit zijn oeuvre staan voor altijd op mijn netvlies gebrand.
Beste film: Rear Window

9. Sam Raimi
Maakte de hoogst vermakelijke Spider Man films, maar waar hij zichzelf wat mij betreft mee onsterfelijk heeft gemaakt is de Evil Dead trilogie. Heerlijke films. Maakte met The Quick and the Dead ook een fantastische western.
Beste film: Evil Dead II

10. Francis Ford Coppola
Hey, hij regisseerde The Godfather trilogie, hoe ga ik hem niet in mijn Top 10 zetten? Was ook verantwoordelijk voor de beste oorlogsfilm aller tijden met Apocalyse Now. Fenomenaal.
Beste film: The Godfather

Daarna volgen:
11. George Lucas (Beste Film: Star Wars: Episode IV – A New Hope)
12. James Cameron (Beste Film: Terminator 2: Judgment Day)
13. Danny Boyle (Beste Film: Trainspotting)
14. Brian De Palma (Beste Film: The Untouchables)
15. Akira Kurosawa (Beste Film: Throne of Blood)
16. Paul Verhoeven (Beste Film: RoboCop)
17. Robert Zemeckis (Beste Film: Back to the Future Part II)
18. Richard Linklater (Beste Film: Dazed and Confused)
19. Robert Rodriquez (Beste Film: Sin City)
20. Jim Jarmusch (Beste Film: Ghost Dog: The Way of the Samurai)

Z Channel: A Magnificent Obsession

Z-Channel 3

(2004, USA)

Director: Xan Cassavetes
Features: Robert Altman, Penelope Sheeris, Jim Jarmusch, Quentin Tarantino, ao.

Running Time: 120 mins.

Documentary about the legendary Z Channel in Los Angeles, a pay TV channel where great cinema was shown between 1974 and 1988. Aspiring filmmaker Jerry Harvey became chief programmer of the channel and created a Walhalla for cinema lovers in that time in L.A.

Unfortunately, Harvey was mentally very unstable and in 1988 he committed suicide after killing his wife. After his death, Z Channel was finished as well when it turned into a sports channel. In this ‘legacy’ of Harvey, former friends, teachers and colleagues as well as filmmakers explain why Z Channel was such a successful and important platform for cinema at that time.

It was before VHS made its way into the living room, and people were dependent on television, besides cinema, to view movies. Harvey combined art films and commercial films in his programming which turned out to be a fantastic formula. Quentin Tarantino and Jim Jarmusch explain how much they loved Z Channel when they were growing up, and how it formed an important part of their education. Director Xan Cassavetes, the daughter of actor-director John Cassavetes and actress Gena Rowlands, got hooked to Z Channel after being grounded as a child. It was the beginning of her obsession with cinema.

The channel was so popular that even market leaders HBO and Showtime couldn’t muscle it out of L.A. Z Channel had a zero turnrate which means that no subscriber ever cancelled the channel.

Z-Channel 1
Programmer Harvey wrote the screenplay for the western China 9, Liberty 37

Another one of Harvey’s triumphs was to show uncut versions of films such as The Wild Bunch, Heaven’s Gate, Once Upon a Time in America and 1900. Films that were initially trashed by critics now became very successful features. Z Channel also became a platform for European directors, like Paul Verhoeven, that found work in America thanks to the screening of their European work on the channel. Harvey and his team also organised regular film festivals with retrospectives of Kurosawa and the likes. It must have been truly magnificent.

Cassavetes shows a great collection of film fragments that give a good sense of how brilliant and revolutionary the Z Channel programming must have been. Cinema lovers will be thrilled at the idea of seeing something like Fassbinder’s Berlin Alexanderplatz uncut on television. It was not made to last. Like one of the interviewees says; ‘you just never know when you are living in a glorious time’. The downfall of Z Channel came together with the downfall of Harvey. An obvious loss that Cassavetes makes manifestly clear.

Z-Channel 4
Boxoffice hit The Empire Strikes Back had its television premiere on Z Channel

Review originally written for International Film Festival Rotterdam, where this documentary was screened in 2005.

See also: List of Film Fragments in Z Channel: A Magnificent Obsession