Fear and Loathing in Las Vegas

Director: Terry Gilliam
Written by: Hunter S. Thompson (book), Terry Gilliam (screenplay), Tony Grisoni (screenplay), Tod Davies (screenplay), Alex Cox (screenplay)
Cast: Johnny Depp, Benicio Del Toro, lot’s of cameo’s including; Tobey Maguire, Gary Busey, Ellen Barkin, Christina Ricci, Cameron Diaz, Flea and Harry Dean Stanton

Year / Country: 1998, USA
Running Time: 118 mins.

It is the foul year of our lord 1971 and Gonzo journalist Hunter S. Thompson (Raoul Duke in the story) and his Samoan attorney Dr. Gonzo decide to undertake the ultimate trip of the seventies. The official assignment is to cover the Mint 400 desert race in Las Vegas, but they have something bigger in mind. They want to find the American dream. Armed to the teeth with highly dangerous narcotics, they head out to Las Vegas in their fire red convertible… Some trip it’s gonna be…

While searching for the American dream, Thompson and Dr. Gonzo only find fear and loathing. Intolerable vibrations in a town not at all suitable for the use of psychedelic drugs. The atmosphere is extremely menacing, but as they behave as animals, nobody even notices them. Vegas turns out to be a savage town. And while soldiers are dying in Vietnam, used car dealers from Dallas throw their money in the slot machines, Debbie Reynolds sings in the Desert Inn and the national police force meets at a congress about marijuana. Thompson and Dr. Gonzo are there.

Thompson’s novel ‘Fear and Loathing in Las Vegas’, which was first published in two parts in Rolling Stone Magazine, became a cultural phenomenon (and my personal favorite book of all time). The movie adaptation by Terry Gilliam is a literal one. Thompson wrote his famous novel Gonzo style, which means the events are told through the eyes and vision of the author who fully participates in the story himself. Since Thompson was heavily under the influence during the writing process, he claims he can’t fully remember which parts truly happened and which ones did not (fully). Therefore this literal adaptation is a highly enjoyable blast, though not always realistic.

There is one downside to director Gilliam’s literal approach. In the novel, all the psychedelic escapades form an integral part of what is obviously a literary masterpiece. In the translation to film however, these escapades sometimes appear to be useless fuckarounds, especially during the final part of the film. However, that is a minor criticism for this is obviously a highly enjoyable movie. Depp and Del Toro are both terrific in their method acting approaches to their roles. Thompson’s poetic writing, beautifully narrated by Depp in voice-over, runs through the movie that captures the era and hallucinogenic nightmare perfectly. Combined with a beautiful seventies soundtrack and Grade A settings, the great time capsule that is Fear and Loathing in Las Vegas is complete. Also, it is one of the funniest movies of all time. So buy the ticket and take the ride.

Rating:

Biography: Terry Gilliam (1940, Minneapolis) started his career as the only American member of the British comedy group Monty Python. As animator, he was responsible for the bizarre cartoons used in the sketches. In 1975 he directed his first movie for Monty Python, namely Monty Python and the Holy Grail. After his period with Monty Python, he moved on as independent director and had remarkable success with his bizarre masterpiece Brazil in 1985. After that success, things went downhill for Gilliam; The Adventures of Baron Munchausen became an expensive flop and the disastrous production of the never completed Don Quichotte became legendary. Despite these problems, Gilliam returned and directed a number of valuable contributions to cinema, including sci-fi masterpiece Twelve Monkeys and cult classic Fear and Loathing in Las Vegas.

Filmography: Storytime (1968, short) / The Miracle of Flight (1974, short) / Monty Python and the Holy Grail (1975) / Jabberwocky (1977) / Time Bandits (1981) / The Crimson Permanent Assurance (1983, short) / The Adventures of Baron Munchausen (1988) / The Fisher King (1991) / Twelve Monkeys (1995) / Fear and Loathing in Las Vegas (1998) / The Brothers Grimm (2005) / Tideland (2005) / The Imaginarium of Doctor Parnassus (2009) / The Legend of Hallowdega (2010, short) / The Wholly Family (2011, short) / The Zero Theorem (2013) / The Man Who Killed Don Quixote (2018)

Documentaire Page One – A Year Inside the New York Times: Unieke kijk op journalistiek in veranderend medialandschap

Het is geen nieuws dat kranten al een tijdje in zwaar weer zitten. Sinds internet is opgekomen als nummer 1 nieuwsbron dalen oplages massaal en gaan de nodige kranten kopje onder. De documentaire ‘Page One – A Year Inside the New York Times‘ neemt ons mee in een krant die nog wel meespeelt. Let op het woordje ‘nog’. Men verwacht dat ook deze krant zal verdwijnen en is gefascineerd door de ondergang van zo’n voornaam instituut als The New York Times.

Page One - New York Times 1

Feit is dat The New York Times in de gevarenzone zit. Volgens hoogleraar Turnaround Management Jan Adriaanse geldt dat voor alle instituten die al honderden jaren meegaan en vaak ‘Koninklijke’ voor hun naam hebben staan. Juist die ondernemingen moeten continu hun bestaansrecht opnieuw bewijzen. Slagen ze daar niet in, dan is een faillissement de enige juiste uitkomst. Het onwrikbare geloof in eigen dominantie en excellentie is voor deze bedrijven de grootste valkuil.

‘Page One’ behandelt vragen die iedere media professional bezig houdt. Hoe kunnen kranten zichzelf blijven bedruipen? Kun je geld vragen voor online content? Wat is de toekomst van de onderzoeksjournalistiek? Ook The New York Times zelf vindt dit interessante thematiek en heeft daarom sinds 2008 een nieuwsredactie in het leven geroepen die het nieuws rond de media zelf volgt. Deze redactie heeft het behoorlijk druk in de huidige tijd, want de ene na de andere krant gaat failliet in de VS.

De vraag is hoe erg het is dat traditionele media ten onder gaan. Nieuwe media goeroes vinden het geen punt. Zij zien in blogs en tweets nieuwe kritische journalistieke vormen. Het specifieke probleem van The Times is de enorme daling in advertentie-inkomsten (30 procent in 2009). ‘Vroeger gaven kranten zichzelf bijna weg, maar verdiende dit terug met advertentie-inkomsten’, stelt de voormalige hoofdredacteur Bill Keller. Niet meer. Monster.com kaapte de banenmarkt weg, Craigslist de kleine advertenties, Ford en GM gingen via eigen kanalen adverteren… ‘Het is een verontrustende tijd’, aldus Keller. ‘Voorspellingen durft niemand meer te volgen, want vorige voorspellingen zaten er steeds naast. Niemand is pessimistisch genoeg geweest.’

De daling in advertentie-inkomsten bij The Times – die naast lezersomzet cruciaal zijn voor het voortbestaan van de krant – ging gepaard met de opkomst van vele nieuwe concurrenten, waardoor The Times zijn autoritieve stem is kwijtgeraakt. Deze omstandigheden hebben van een overgangsfase een revolutie gemaakt. WikiLeaks is zo’n nieuwe concurrent. In plaats van een geheim oorlogsfilmpje bij de krant af te leveren zetten ze het op YouTube waar iedereen het kan vinden. Is dit een goede ontwikkeling? Enerzijds wel omdat in een open samenleving mensen informatie nodig hebben om de juiste beslissingen te kunnen nemen. Anderzijds is in dit betreffende voorbeeld niet het hele verhaal gepubliceerd, maar slechts een stukje. Er zat een agenda achter. Dat gebeurt in de traditionele journalistiek – als het goed is – niet.

Maar volgens enkele bekende bloggers is het misschien wel gevaarlijk dat The New York Times zichzelf als te geloofwaardig beschouwd. Verslaggever Judith Miller kreeg de vrije hand om te schrijven over Saddam Hussein en de productie van massavernietigingswapens in Irak. Het vermoeden dat Irak mogelijk kernwapens produceerde heeft de regering Bush gestimuleerd de tweede Irak oorlog te beginnen. Een zeer pijnlijke fout…

De toekomst van het krantenbedrijf
Eind 2009 moest de New York Times 100 medewerkers uitkopen en ontslaan. Er heerst nu een grafstemming, omdat niemand weet waar het ophoudt. Er zijn in ieder geval genoeg ‘doodwensers’ voor de traditionele kranten die in ‘Page One’ uitgebreid aan het woord komen. Hun argument? Kranten zijn technologiebedrijven, niet meer en niet minder. Media veranderen. Zo simpel is het. Toch heeft de traditionele media een functie, stellen de journalisten, want wie gaat anders professioneel de politiek verslaan? De vraag is waar het geld vandaan moet komen om dat te bekostigen. Een klant die een dollar betaalde voor de papieren krant betaalt nu een cent of minder voor zijn dagelijkse dosis online nieuws. Waar het heen gaat weet niemand, ook niet de kranten executives die ieder denkbaar model hebben overwogen.

Page One - New York Times 3

Het blijft een moeilijk verhaal. De documentaire streept het dilemma extra aan door verslaggevers te tonen die passievol werken aan hun journalistieke verhalen, zoals David Carr – voormalig crackverslaafde en nu columnist op het gebied van media en cultuur – over het faillissement van de Tribune Company. Hoofdredacteur Keller beargumenteerd dat een democratie informatie nodig heeft om te functioneren, en voor een betrouwbare journalistieke functie is geld nodig. De mensen die ‘dood aan traditionele kranten’ schreeuwen, kijken daar vaak overheen.

Momenteel is het hybride model in opkomst. Samenwerkingen tussen oude en nieuwe mediabedrijven. Dat dit prima kan werken toont de samenwerking tussen CNN en Vice Magazine aan. Laatstgenoemde kan (beeld)materiaal leveren waar een mainstream kanaal als CNN moeilijk aan kan komen. Dit soort samenwerkingen zijn essentieel voor kranten als The New York Times, zegt ook Arianna Huffington, oprichter van gratis online krant The Huffington Post. ‘De toekomst ligt elders. Het is een gekoppelde economie met zoekmachines en online adverteren. Het is burgerjournalistiek. Als je daar je weg niet in weet ben je verloren.’

Gaat icoon The New York Times het overleven? Waarschijnlijk wel. Ze hebben alleen nog een flinke transitieslag te maken.

In Treatment: Levensechte televisie-ervaring rond psychotherapie

In de serie ‘In Treatment’ volgen we de praktijk van psychiater Paul Weston. Iedere aflevering is een sessie en ieder seizoen bevat 7 weken therapie per patiënt. Op de laatste dag van de week ligt Paul zelf op de bank bij zijn behandelaar.

De serie is in Nederland bijna letterlijk nagemaakt als ‘In Therapie’ en is zelf gebaseerd op de prijswinnende Israëlische serie ‘Be Tipul’. Mijn advies is om de Amerikaanse serie te kijken vanwege de levensechte dialogen en het briljante acteerwerk.

Van ‘In Treatment’ gaat een bijna zen-achtige rustgevende kracht uit. Dat is aan twee sleutelfactoren te wijten. Allereerst het concept waarbij je de kamer van Paul Weston niet verlaat en de focus volledig ligt op een gesprek. Afwijkend van hedendaagse televisie dus, en 100 procent geslaagd in de opzet. Bovendien extreem geloofwaardig.

Ten tweede, het personage Paul Weston (fantastisch gespeeld door rasacteur Gabriel Byrne) is een plezier om naar te kijken. Als een detective a la Sam Spade probeert hij de troebele geesten en verwarrende manoeuvres van zijn patiënten te doorgronden. Paul is zo’n geweldige psychotherapeut, dat je zelf wel met hem zou willen afspreken. In zijn privéleven, waar je soms een glimp van opvangt, of in zijn eigen therapie is hij onuitstaanbaar, maar voor zijn patiënten gaat hij door het vuur.

In Treatment

Ook mooi is dat je zelf steeds beter wordt in het doorzien van belemmerende of destructieve patronen die de patiënten van Paul dwarszitten in hun levens. Alle patiënten zijn verschillend, maar het verloop van de behandeling is steeds bijna hetzelfde. Het begint altijd met het aftasten, waarbij Paul door middel van goede vragen steeds dichter bij de kern van de zaak komt. Dan komt de verwarrende tijd dat alles vloeibaar wordt, zodat de patiënt nieuwe keuzes kan maken. Dit leidt altijd tot heftige confrontaties met de behandelaar en uitspattingen buiten de therapie om, waarna het in de meeste gevallen leidt tot verandering in de vorm van nieuwe inzichten en gewoonten die het leven van de patiënt positief beïnvloeden. Complexiteit wordt simpel. ‘In Treatment’ is waarachtige televisie.

Top 5 patiënten van Paul Weston
1. April (seizoen 2) – Een student die met kanker is gediagnosticeerd, maar dit aan niemand heeft verteld behalve Paul.
2. Sophie (seizoen 1) – Een suïcidale turnster en middelbare scholier die moeite heeft op te treden tegen haar egoïstische vader.
3. Oliver (seizoen 2) – 12 jaar oude zoon van Bess en Luke, een echtpaar dat in scheiding ligt en waarvan Oliver zichzelf de schuld geeft.
4. Sunil (seizoen 3) – Indiase man die door zijn zoon en schoondochter naar de Verenigde Staten is gehaald na de dood van zijn vrouw.
5. Alex (seizoen 1) – Een gevechtspiloot, getraumatiseerd door een verkeerd gelopen missie in Irak.