De prestaties van journalistieke software

Things looked bleak for the Angels when they trailed by two runs in the ninth inning, but Los Angeles recovered thanks to a key single from Vladimir Guerrero to pull out a 7-6 victory over the Boston Red Sox at Fenway Park on Sunday.
Guerrero drove in two Angels runners. He went 2-4 at the plate. “When it comes down to honoring Nick Adenhart, and what happened in April in Anaheim, yes, it probably was the biggest hit [of my career], “Guerrero said. “Because I’m dedicating that to a former teammate, a guy that passed away.”
Guerrero has been good at the plate all season, especially in day games. During day games Guerrero has a .794 OPS [on-base plus slugging]. He has hit five home runs and driven in 13 runners in 26 games in day games.

de-prestaties-van-journalistieke-software

Bovenstaand verslag van een sportwedstrijd is indrukwekkend. Niet omdat het goed leesbaar en grammaticaal correct is, maar omdat het geschreven is door een computerprogramma. Veel grote nieuwsdiensten zetten deze software al in voor o.a. sport en financiële verslaggeving, al hangen ze dit niet aan de grote klok.

Dat schrijft Martin Ford in zijn boek ‘Rise of the Robots’. Ford is bezorgd dat de huidige technologische golf voor veel banenverlies gaat zorgen. Wat is het verschil met eerdere golven van technologische vooruitgang? Dat machines/robots/softwareprogramma’s nu kunnen denken. Niet dat ze zo slim zijn als mensen. Maar in gespecialiseerde taken worden ze in een verbazingwekkend tempo veel beter dan mensen. Ford’s zorgen lijken me dan ook meer dan terecht (Lees ook mijn boekbespreking: De robots komen voor onze banen! En kenniswerk blijft niet buiten schot).

Wat betekent dat voor journalisten? Vorig jaar sprak ik iemand die zich bezig houdt met de inzet van big data bij het Financieele Dagblad en hij gaf aan zich voorlopig geen zorgen te maken over banenverlies door technologie bij de krant. Slimme journalistieke software, zoals hierboven beschreven, kan juist het vervelende rapporteren van kwartaalcijfers overnemen van journalisten. “Het cijferseizoen is een morele verplichting voor ons als financieel nieuwsmedium, maar creatief werk is het niet. Het kan voor journalisten best interessant zijn als robotsoftware de basisdekking van dit nieuws overneemt. Dit biedt hen de ruimte voor meer diepgaande onderzoeksjournalistiek. Deze journey gaat dan ook over man én machine, niet man versus machine. Technologie kan de mensen toelaten op hun kracht in zetten.”

Mooi gezegd. De media hebben wel andere zakelijke problemen om zich zorgen over te maken, namelijk een gebroken verdienmodel. En dat komt ook door technologie: het internet. Hoe gaan ze consumenten laten betalen voor content? Voordat ze die vraag hebben beantwoord zullen er nog een hoop banen sneuvelen bij de mediabedrijven.

Advertenties

7 vragen die NU spelen voor J.H. Kash

1. Waarom hebben mensen het altijd over het aantal Nederlandse slachoffers bij een ramp, zoals de vliegramp in Oekraïne?
Ook de media doen hier volop aan mee. ‘150 Nederlanders omgekomen bij vliegramp’ is dan de kop van de krant. Online staat er even later ‘update – toch 189 Nederlandse slachtoffers’. Wat maakt het in godsnaam uit of het Nederlanders, Turken of Azerbeidzjanen zijn? Het gaat erom dat ze slachtoffers van een vliegramp / aanslag zijn geworden. Volgens een ethicus op Radio 1 is het geoorloofd om te hopen dat er weinig Nederlandse slachtoffers zijn, zelfs als dat automatisch betekent dat een ander land de slachtoffers moet betreuren. Waarom? Volgens de ethicus omdat je blij mag zijn dat je niet hoeft te rouwen om familie of bekenden, of als volk om landgenoten. Gelul, wat mij betreft. Het is gewoon volledig ongepast om je daarmee bezig te houden. En de media zetten de verkeerde toon, zoals wel vaker het geval.

2. Maakt het wat uit dat Nederland nooit wereldkampioen voetbal is geworden?
Emotioneel gezien heel veel (voor de meeste mensen dan), maar rationeel gezien? Het is al bijna ongelofelijk dat Nederland op het hoogste niveau meespeelt. Hoeveel landen met de grootte van Nederland kunnen dat zeggen. Niet één. ‘Maar als je drie keer in een finale staat, moet je dan niet één keer winnen?’, zou je je redelijkerwijs kunnen afvragen. Maar wederom is het antwoord alleen ‘ja’ wanneer je er door een emotionele bril naar kijkt (kortom, wat mensen altijd doen). Rationeel gezien is de kans om een finale te winnen van Duitsland, Argentinië of Spanje namelijk helemaal niet 50-50. Eerder 40-60 in het nadeel van Nederland, of zelfs 80-20.

3. Is er aan aantrekkelijke mogelijkheid om aan het kapitalisme te ontsnappen?
Mensen halen een diploma om aansluiting te vinden op de arbeidsmarkt. Met veel geluk vinden ze iets dat hun interne vlammetje levenslang brandende houdt (geld is van secundair belang). Missie geslaagd, maar je bent dan hoe dan ook onderdeel van de rat race. Zijn er aantrekkelijke alternatieven? Ik ken ze niet. Over kapitalisme gesproken:

4. Kan Piketty het niet wat ‘leuker en makkelijker’ maken?
Het gevoel leeft al langer bij de auteur van deze weblog: er vindt momenteel een verschuiving plaats in de samenleving die grote impact gaat hebben op alle mensen. De Franse econoom Thomas Piketty heeft interessante dingen te zeggen, maar allemachtig wat heeft die man een ruimte nodig om het allemaal uit te leggen. De structuur van kapitaal door de eeuwen heen is an sich best interessant, maar giet er wat jus overheen (gebruik bijvoorbeeld de 5 elementen van een krachtig verhaal). Nu is het geen wonder dat nog geen drie procent van de lezers zijn boek ‘Capital in the 21th Century’ uitleest.

5. Waarom had ik tot een maand geleden nooit gehoord van Sixto Rodriquez?
Dat zal iedere muziekliefhebber zich afvragen die de documentaire ‘Searching for Sugar Man’ heeft gezien, een fantastische feel good documentaire waarover @JKleyngeld nog een stukje moet schrijven. Het debuutalbum van de artiest Rodriquez ‘Cold Fact’ is inmiddels grijsgedraaid door Dr. Kash. Wat een meester; die teksten, die woorden, die stem….

6. Wat is een Rorschach Test?
[Van Wikipedia] De rorschachtest of Rorschach-inktvlekkenmethode (RIM) is een psychologische test die door Hermann Rorschach geïntroduceerd werd in 1921. De test is gebaseerd op de menselijke neiging interpretaties en gevoelens te projecteren op, in dit geval, inktvlekken. Daartoe proberen speciaal opgeleide psychologen aan de hand van de gegeven interpretaties het diepere persoonlijke karaktertrekken en de impulsen van de testpersonen te begrijpen. In populaire cultuur vooral bekend geworden door het personage Rorschach in Alan Moore’s grafische novel ‘Watchmen’.

7. Hoe kun je angst behandelen zonder medicijnen?
Hier zijn drie manieren voor, stelt expert David Burns Namelijk het cognitieve model; angst wordt veroorzaakt door (verdraaide) negatieve gedachten. Verander de gedachten en verander de angstgevoelens. Ten tweede het exposure model: Face your worst fears. Tot slot, het Hidden Emotion Model. Wat je wegstopt komt een keer in andere vorm naar buiten, bijvoorbeeld als angst of gevoelens van onrust.

Icon 16 - Symbol

 

Een authentieke dichtbij-opname van de Hell’s Angels (door Hunter S. Thompson)

‘Filthy huns! Breeding like rats in California and spreading east. Listen for the roar of the Harleys. You will hear it in the distance like thunder. And then, wafting in on the breeze, will come the scent of dried blood, semen and human grease . . . the noise will grow louder and then they will appear, on the west horizon, eyes bugged and bloodshot, foam from their lips, chewing some rooty essence smuggled in from a foreign jungle . . . they will ravish your woman, loot your liquor stores and humiliate your mayor on a bench on the village square . . .’
– Hell’s Angels: The Strange and Terrible Saga of the Outlaw Motorcycle Gangs (1967)

Hell's Angels 1

Door Jeppe Kleyngeld

In de lente van 1965 begon Hunter S. Thompson rond te hangen met de Hell’s Angels motorclub. Halverwege de zomer was hij zo betrokken bij de outlaws dat hij niet langer zeker wist of hij alleen maar onderzoek deed naar de angels of door ze geabsorbeerd was. Zijn ervaringen met de motorbende staan beschreven in ‘Hell’s Angels’, het boek dat Thompson’s naam als schrijver/journalist in 1967 op de kaart zette. Het is een krachtig staaltje onderzoeksjournalistiek dat hij laat zien in ‘Hell’s Angels’ en het vormt tevens een nieuwe ontwikkelingsfase in zijn befaamde Gonzo stijl, waarbij hij zelf als personage opgaat in het verhaal, al kan dit boek nog bestempeld worden als vrij traditionele journalistiek.

Waar komen de Hell’s Angels vandaan? Ze zijn min of meer een smerig overblijfsel uit het Wilde Westen. De officiële bende is in de jaren 50’ ontstaan in Californië. De meeste soldaten die thuiskwamen na de tweede wereldoorlog stichtte gezinnen, maar de outlaws wilden wat anders. Vrijheid, kicks, vriendschappen… dus sloten ze zich aan bij de motorbendes en keerden zich af van burgerlijke normen en waarden. Losers, maar wel losers die heel veel lawaai maakten en angst konden inboezemen bij het gewone volk.

De Hell’s Angels waren berucht in deze tijd, maar hoeveel van hun reputatie was mythe en hoeveel was waarheid? Thompson ontdekt dat angst en walging machtige politieke wapens zijn. Want wanneer verhalen over verkrachting en de plundering van kleine Amerikaanse slaapstadjes de ronde doen, kan een senator ineens heel daadkrachtig lijken. De media dragen ook hun steentje bij, want met een kop als ‘Hell’s Angels rape teenagers’ verkoop je kranten, ook al ligt de waarheid iets genuanceerder.

Dat wil niet zeggen dat de Hell’s Angels heilige boontjes zijn. Het is een bondgenootschap en dat betekent dat ze samenspannen. Altijd. Als een burger ruzie krijgt met één van hen heeft hij ruzie met hen allemaal en ze schuwen geweld niet. Of verkrachting. Het boek van Thompson begint met de ontleding van de levensstijl van de motorbende. Hoe ze zich kleden en waarom (ze zeggen dat ze swastika’s slechts dragen om te shockeren, maar volgens Thompson zijn het wel degelijk fascisten). Hoe belangrijk hun motor voor ze is. Hoe veel ongelukken ze hebben (gemiddeld 4 doden per jaar op een bende van een paar honderd is veel te noemen). De vrouwen die met de angels rondhangen. Enzovoorts.

Daarna beschrijft hij een bijeenkomst van de volledige bende – en geassocieerde bendes zoals Satan’s Slaves, Gypsy Jokers, Presidents, Misfits en Nightriders – in Bass Lake in de zomer van 1965, waar hij zelf ook bij aanwezig is als geaccepteerd deelnemer. In dit deel van het verhaal wordt ook de toenmalige leider van de angels – Ralph ‘Sonny’ Barger – nader onder de loep genomen. Het weekend ontspoord zowaar niet in rellen zoals de kranten voorspeld hadden, maar het wordt gewoon een weekend gevuld met zuipen en de beest uithangen. Zeker gezien de angst die van te voren door het gebied verspreidde, toen bekend werd dat de volledige Hell’s Angels motorclub eraan kwam, was dat een grote meevaller.

Het beeld dat Hunter schetst is behoorlijk grim af en toe. Vooral het stuk over gangbangs is moeilijk te lezen. Sommige vrouwen laten dit vrijwillig doen, al is het natuurlijk onmogelijk dat welk mens dan ook zoiets vernederends ooit echt vrijwillig zou doen. Hunter was er getuige van dat een vrouw op een feest zo’n 50 keer gepenetreerd werd op verschillende manieren, waarna ze weer terug naar binnen ging. Het komt ook voor dat een vrouw bij wijze van straf door een groepje wrede angels onder handen wordt genomen. De vrouw in kwestie wordt dan naar een plaats gebracht waar de angel die ze naar verluidt onrecht heeft aangedaan haar verkracht, terwijl andere angels toekijken. Soms zijn er zelfs vrouwen van de angels bij, zoals enkele mama’s (vrouwen die tijdelijk rondhangen met de angels en fungeren als menselijke spermacontainers).

Hell's Angels 2
Hunter S. Thompson verdedigd zijn boek tegenover een Hell’s Angel in een televisiedebat.

In het vermakelijke laatste segment worden de angels frequente bezoekers van de LSD-feesten van Ken Kesey (auteur van o.a. ‘One Flew Over the Cuckoo’s Nest’) in La Honda. Het lijkt een vreemde combinatie – angels en LSD – maar volgens de beschrijving van Thompson ‘they handled it with the mindless zeal they bring to their other pleasures.’ In het begin waren de angels terughoudend met de LSD, maar na een tijdje… ‘As it were, their consumption pushed the limits of human toleration. They talked of little else, and many stopped talking altogether. LSD is a guaranteed care for boredom, a malady no less prevalent among Hell’s Angels than any other segment of the Great Society . . and on afternoons at the El Adobe, when nothing else was happening and there was not much money for beer, somebody like Jimmy or Terry or Skip would show up with caps and they would all take a peaceful trip to Somewhere Else.’

Thompson zelf gebruikte ook een keer of zes LSD in die periode en ervoer dat trippen met de angels zo slecht nog niet was. Hun gebruikelijke vijandigheid zakte af en hun wilde en naïeve persoonlijkheden maakten het tot een avontuur. Na een paar intensieve maanden, stopten de meeste angels weer met LSD. Sommige hadden verschrikkelijke hallucinaties gehad of waren bang hun motors te crashen. Voor een paar onder hen was LSD het beste dat ze ooit was overkomen en ze gingen er naar hartenlust mee door.

Maar in 1966 waren de mooie tijden definitief voorbij, althans voor Thompson bij de angels. Een groepje van vijf van hen (niet zijn kameraden) vonden dat hij misbruik van ze maakte door over ze te schrijven. Ze sloegen hem volledig in elkaar. Thompson wilde een origineel slotakkoord voor zijn boek, maar kwam niet verder dan Colonel Kurtz in Joseph Conrad’s ‘Heart of Darkness’: ‘the horror. The horror’. De motor posse komt in Thompson’s latere werk trouwens nog wel regelmatig voorbij, maar dan in een kleine bijrol.

Net voor het einde van het boek noemt Thompson terloops het karakter Raoul Duke. Hij beschrijft hem als outlaw, die de wet niet breekt op een manier die beledigend is voor de samenleving, maar juist op een manier die hem meer geaccepteerd maakt. Thompson’s alter ego Raoul Duke zou binnenkort een geheel eigen avontuur gaan beleven. Misschien wel het grootste avontuur aller tijden…

Geld verdienen in de journalistiek

‘In de journalistiek valt geen reet meer te verdienen’, is een stelling die ik regelmatig hoor. Men stelt vaak dit dat komt door de komst van internet, maar ik vraag me af of het ooit anders in geweest. De meeste schrijvers/journalisten zijn nu eenmaal arme sloebers, of ze nu werken voor kranten, bladen, of proberen eigen werk (boeken) te slijten. Ik ben nu bijvoorbeeld bezig met een biografisch stuk over Hunter S. Thompson, een briljant schrijver, maar ook hij had grote moeite om zijn eerste boeken gepubliceerd te krijgen. Ook later in zijn carrière, toen hij een gevestigd auteur was, had hij nog te maken met gebrek aan funding. De meeste uitgevers zijn ook vaak ondernemingen die grote moeite hebben overeind te blijven. Ze hopen een bestseller uit te brengen waarmee ze hun verliesgevende projecten kunnen financieren.

Traditioneel, zijn er twee manieren om geld te verdienen aan content; adverteerders die zich willen associëren met de titel en/of de inhoud en gebruikers die willen betalen voor het consumeren van de content. In deze nieuwe tijd is er wel wat veranderd aan het uitgavenpatroon van beide groepen. Mijn stelling is dat er met het juiste model nog altijd wat te verdienen valt. Laten we hier naar kijken…

Het bedrijf waar ik momenteel voor werk – Alex van Groningen – is geen traditioneel mediabedrijf, maar de mediatak is er later bijgekomen. Het bedrijf richt zich op financiële professionals (CFO’s, controllers, finance managers, fusie & overname specialisten) met trainingen en communities (o.a. congressen, award shows & netwerkborrels). In het aanbieden van communities is Alex van Groningen een absolute voorloper.

De jaarlijkse CFO Day

De jaarlijkse CFO Day

Het doel van het opzetten van de mediatak (CxO Media) was tweeledig. Ten eerste is het bedrijf een echte ‘bereikboer’, die miljoenen folders het land in stuurt om voldoende klanten te werven voor de trainingen en opleidingen. Voor een dergelijk bedrijf is een eigen distributiekanaal natuurlijk fantastisch voor de promotie van activiteiten die het bedrijf organiseert.

Het tweede doel was het genereren van directe inkomsten, enerzijds via adverteerders en voor sommige bladen via betalende abonnees. Een goed model, maar in de huidige tijd zijn er twee problemen mee. 1.) Lezers willen het type vakcontent dat in de bladen te vinden is gratis kunnen lezen via internet of print (cc distributie). 2.) Advertentie-inkomsten lopen terug. Deels door de crisis, maar het is duidelijk dat ook de voorkeuren van adverteerders veranderen.

De onderneming heeft een mooie oplossing gevonden voor deze uitdagingen. Via het aanbieden van een lidmaatschap van verschillende communities (CFO Association, FM Club & M&A Community), betaal je als ‘gebruiker’ niet langer voor puur het ontvangen van de bladen, maar om aanwezig te mogen zijn op clubevents en netwerkborrels. Hetzelfde geldt voor adverteerders die nu als gastheer op de borrels kunnen zijn en direct leden van hun doelgroep kunnen ontmoeten. Niet langer plat adverteren dus, maar netwerken.

Adverteerders zijn bereid hier voor te betalen en gebruikers ook. Alex van Groningen kon dit model relatief makkelijk implementeren omdat het bedrijf reeds actief was in de community business. Wat nieuw is, is het betaalde lidmaatschap. Eerst konden leden van de doelgroep al gratis komen op grote gesponsorde evenementen zoals CFO Day. Dat kan nog steeds, maar nu zijn er vele netwerkborrels bij gekomen en het kost contributie om hier aanwezig te mogen zijn. Dit model – het koppelen van een titel aan een club of community – kan kleine vakuitgevers in leven houden, maar ook kranten zouden er hun voordeel mee kunnen doen.

Dan is er nog de vraag of mensen bereid zijn te betalen puur voor content. Ik denk voor sommige vormen wel. Ik ben momenteel bezig met een uitgebreide feature over James Bond, bestaande uit lijstjes met de beste Bond-slechteriken, Bond Girls, gadgets, voortuigen, et cetera. Precies het type content dat in bakken gratis op het internet te vinden is. Net als mijn Hunter S. Thompson serie typische Wiki-content is, waar je geen rooie cent mee kan verdienen. Maar dat maakt niet uit, want ik doe het uit passie. Aanbieders van deze typen content, zoals veel bladen, moeten serieus gaan nadenken over hoe ze kunnen concurreren met alle gratis aanbieders die op het internet te vinden zijn.

Afgelopen week las ik op de website van Het Financieele Dagblad over een nieuwe uitgeverij genaamd Forfor. Deze uitgeverij geeft tientallen bestaande journalistieke werken opnieuw uit, maar dan digitaal, als e-boek, voor een prijs van 4,99 euro. Fosfor heeft op dit moment zestig eerder verschenen, maar niet meer leverbare journalistieke werken in zijn fonds. De uitgeverij denkt daarmee ook een lezersgroep te kunnen interesseren die nu niet wordt bereikt: jongere consumenten die de klassieke werken niet kennen en weinig boeken op papier lezen. ‘Deze zogenoemde digital natives zijn opgegroeid met digitale technologie’, aldus medeoprichter Evert Nieuwenhuis. ‘Er wordt wel beweerd dat zij niet voor digitale content willen betalen, maar het blijkt dat ze daartoe wel degelijk bereid zijn als je ze bedient, zoals ze gewend zijn om te worden bediend.’

Ik denk dat hij helemaal gelijk heeft. Neem Hunter S. Thompson, ik zou er veel geld voor willen betalen om de e-versie te downloaden van de twee edities van Rolling Stone Magazine uit 1971, waarin zijn meesterwerk Fear and Loathing in Las Vegas te lezen is. Maar toegang tot het archief hebben alleen abonnees van het blad. Daarnaast moet je voor de iPad zelfs een apart lidmaatschap nemen, zelf als je abonnee bent van het geprinte magazine. Gemiste kans voor Rolling Stone.

Rolling Stone Magazine

Conclusie: er valt nog wel degelijk geld te verdienen met journalistiek alleen de vorm vereist de nodige aanpassing. Zowel adverteerders als gebruikers hebben andere voorkeuren. Bedien ze zoals ze dat fijn vinden en je kunt ook in deze tijd succesvol zijn als uitgever en journalist.