‘The Great Shark Hunt’ – Gebundelde waanzin van Hunter S. Thompson

Door Jeppe Kleyngeld

‘I have already lived and finished the life I planned to live – (thirteen years longer, in fact) – and everything from now on will be A New Life, a different thing, a gig that ends tonight and starts tomorrow morning.’
– The Great Shark Hunt (1979)

The Great Shark Hunt 1

In 1979 publiceerde gonzo journalist Hunter S. Thompson een verzamelde bundel werk vanaf 1958 tot 1979 onder de titel ‘The Great Shark Hunt’. De verhalen komen uit verschillende bronnen, waaronder The New York Times en natuurlijk Rolling Stone Magazine. Dit kan wel beschouwd worden als de ultieme collectie korte verhalen en journalistieke werken van Thompson omdat ze uit het tijdperk komen waar hij voor geboren was: de jaren 60’ en 70’.

Het rijk gevulde volume bevat sportverhalen, zoals Thompson’s verslag van de Superbowl van 1974 voor Rolling Stone Magazine (‘Fear and Loathing at the Super Bowl’). Voor het meer obscure Scanlan’s Monthly schreef hij ook een aantal verhalen, waaronder het eerder besproken ‘The Kentucky Derby is Decadent and Depraved’, maar ook een commentaar op de commerciële carrière van wereldberoemd Olympisch skiër Jean-Claude Killy. Ook schrijft hij veel over Zuid-Amerika voor The National Observer, waarvoor hij in het begin van zijn carrière correspondent was.

‘The Great Shark Hunt’ kent behalve de Gonzo journalist een aantal terugkerende personages, zoals de Britse cartoonist Ralph Steadman. Hij wordt afgeschilderd als dronken pechvogel en komt in verschillende artikelen terug, zoals ‘Fear and Loathing at The Watergate: Mr. Nixon Has Cashed His Check’ en in een hilarisch interview met Thompson over ‘America’, een grafisch boek van Steadman waarin hij zijn ervaringen over de Verenigde Staten deelt.

Ook Thompson’s beroemde advocaat Oscar Zeta Acosta, die eerder model stond voor Dr. Gonzo in ‘Fear and Loathing in Las Vegas’, komt aan bod. Allereerst in ‘Strange Rumblins in Aztlan’ (zie verderop) en daarna in ‘The Banshee Screams For Buffalo Meat’, een artikel dat in 1977 in Rolling Stone Magazine verscheen en gaat over de verdwijning van Acosta en geruchten over zijn terugkeer. Dit artikel vormde de basis van de eerste film over Hunter S. Thompson ‘Where the Buffalo Roam’ uit 1981.

Het artikel staat vol met memorabele beschrijvingen van zijn befaamde advocaat. De meest bekende is later gebruikt in de verfilming van ‘Fear and Loathing in Las Vegas’ en luidt: ‘Oscar was one of God’s own prototypes – a high powered mutant of some kind who was never even considered for mass production. He was too weird to live and too rare to die.’ Prachtig, maar ook mooi vind ik: ‘Any combination of a 250-pound Mexican and LSD-25 is a potentially terminal menace for anything it can reach – but when the alleged Mexican is in fact a profoundly angry Chicano laywer with no fear at all of anything that walks on less than three legs and a de facto suicidal conviction that he will die at the age of thirty-three – just like Jesus Christ – you have a serious piece of work on your hands.’

Maar Thompson is niet eenzijdig lovend over zijn advocaat en vriend die waarschijnlijk vermoord is in Mexico in 1974. Een minder eerbiedige uitspraak is bijvoorbeeld; ‘We should have castrated that brain-damaged thief! That shyster! That blasphemous freak! He was ugly and greasy and he still owes me thousands of dollars!’ Maar ja, zo praatte (en schreef) Thompson nou eenmaal. Hij had wel degelijk bewondering voor Acosta die een krachtig advocaat was, maar geen advocaat meer wilde zijn maar een profeet voor zijn volk. Dat was waarschijnlijk de reden dat hij goedkeuring verleende voor de publicatie van ‘Fear and Loathing in Las Vegas’ waarin hij wordt afgeschilderd als drugsmisbruikende, criminele maniak. Het kon hem niks schelen dat hij geroyeerd kon worden. En daarmee is het laatste gezegd over deze advocaat, in het werk van Thompson althans.

Meer dan een bijpersonage is natuurlijk Nixon, die in het leeuwendeel van de verhalen de antagonist van Thompson is. Bijvoorbeeld in ‘Memoirs of a Wretched Weekend in Washington’ over de inhuldiging van Nixon in 1969. Thompson: ‘My First idea was to load up on LSD and cover the inauguration that way, but the possibilities were ominous: a scene that bad could only be compounded to the realm of mega-horrors by something as powerful as acid. No . . . it had to be done straight, or at least with a few joints in calm moments . . . like fast-stepping across the mall, bearing down on the Smithsonian Institution with a frenzied crowd chanting obscenities about Spiro Agnew . . . mounted police shouting ‘Back! Back!’… and the man next to me, an accredited New York journalist, hands me a weird cigarette, saying, ‘why not? It’s all over anyway . . . ’

Het meest memorabele verhaal in het boek is ‘Strange Rumblins in Aztlan’, het enige echte Fear & Loathing verhaal van Thompson dat geen Fear & Loathing in de titel heeft. De Gonzo journalist doet hierin verslag van de periode in Oost Los Angeles na de moord op Chicano journalist Ruben Salazar. Salazar was naar verluidt door de politie vermoord, na diverse malen gewaarschuwd te zijn over het publiceren van zijn onthullende verhalen over hoe de machtige blanke machtstructuur de Chicano gemeenschap onderdrukte in die tijd. De Chicano’s kwamen masaal in opstand, bijgestaan door Oscar Zeta Acosta.

The Great Shark Hunt 2

Een artikel dat nu op een nare manier profetisch lijkt is ‘What lured Hemingway to Ketchum?’ dat gaat over de onbetekenende plaats in Idaho, waar beroemd schrijver Ernest Hemingway zijn laatste dagen sleet. Het wat sombere verhaal eindigt met: ‘So finally, and for what he must have thought the best of reasons, he ended it with a shotgun.’ Dat schreef Thompson in 1964, iets meer dan 40 jaar voor hij hetzelfde deed. Dat doet je bijna afvragen hoeveel van zijn legende hij van te voren bedacht heeft.

Het titelverhaal is een hilarische omschrijving van een über decadente viscompetitie waarvoor Thompson verslag uitbracht voor Playboy Magazine. Het is een echt Gonzo-verhaal, dus volstrekt onduidelijk wat echt, fantasie, observatie of door drugs opgewekte waanbeelden zijn. Thompson: ‘All I could think about was ice – throwing one cupload after another into the back seat. The acid, by this time, had fucked up my vision to the point where I was seeing square out of one eye and round out of the other. It was impossible to focus on anything; I seemed to have four hands…’

De traditionele journalist zou bij een dergelijke opdracht bovenop de actie zitten, maar Thompson valt in slaap on een strand en mist de boot. ‘Deep-sea fishing is not one of your king hell spectator sports. I have watched a lot of bad acts in my time, but I’m damned if I can remember anything as insanely fucking dull as that Third Annual International Cozumel Fishing Tournament.’

Vissen zou ook een belangrijke spelen in het volgende boek van Thompson, genaamd ‘The Curse of Lono’.

Typemachine

Advertenties

Documentaire Page One – A Year Inside the New York Times: Unieke kijk op journalistiek in veranderend medialandschap

Het is geen nieuws dat kranten al een tijdje in zwaar weer zitten. Sinds internet is opgekomen als nummer 1 nieuwsbron dalen oplages massaal en gaan de nodige kranten kopje onder. De documentaire ‘Page One – A Year Inside the New York Times‘ neemt ons mee in een krant die nog wel meespeelt. Let op het woordje ‘nog’. Men verwacht dat ook deze krant zal verdwijnen en is gefascineerd door de ondergang van zo’n voornaam instituut als The New York Times.

Page One - New York Times 1

Feit is dat The New York Times in de gevarenzone zit. Volgens hoogleraar Turnaround Management Jan Adriaanse geldt dat voor alle instituten die al honderden jaren meegaan en vaak ‘Koninklijke’ voor hun naam hebben staan. Juist die ondernemingen moeten continu hun bestaansrecht opnieuw bewijzen. Slagen ze daar niet in, dan is een faillissement de enige juiste uitkomst. Het onwrikbare geloof in eigen dominantie en excellentie is voor deze bedrijven de grootste valkuil.

‘Page One’ behandelt vragen die iedere media professional bezig houdt. Hoe kunnen kranten zichzelf blijven bedruipen? Kun je geld vragen voor online content? Wat is de toekomst van de onderzoeksjournalistiek? Ook The New York Times zelf vindt dit interessante thematiek en heeft daarom sinds 2008 een nieuwsredactie in het leven geroepen die het nieuws rond de media zelf volgt. Deze redactie heeft het behoorlijk druk in de huidige tijd, want de ene na de andere krant gaat failliet in de VS.

De vraag is hoe erg het is dat traditionele media ten onder gaan. Nieuwe media goeroes vinden het geen punt. Zij zien in blogs en tweets nieuwe kritische journalistieke vormen. Het specifieke probleem van The Times is de enorme daling in advertentie-inkomsten (30 procent in 2009). ‘Vroeger gaven kranten zichzelf bijna weg, maar verdiende dit terug met advertentie-inkomsten’, stelt de voormalige hoofdredacteur Bill Keller. Niet meer. Monster.com kaapte de banenmarkt weg, Craigslist de kleine advertenties, Ford en GM gingen via eigen kanalen adverteren… ‘Het is een verontrustende tijd’, aldus Keller. ‘Voorspellingen durft niemand meer te volgen, want vorige voorspellingen zaten er steeds naast. Niemand is pessimistisch genoeg geweest.’

De daling in advertentie-inkomsten bij The Times – die naast lezersomzet cruciaal zijn voor het voortbestaan van de krant – ging gepaard met de opkomst van vele nieuwe concurrenten, waardoor The Times zijn autoritieve stem is kwijtgeraakt. Deze omstandigheden hebben van een overgangsfase een revolutie gemaakt. WikiLeaks is zo’n nieuwe concurrent. In plaats van een geheim oorlogsfilmpje bij de krant af te leveren zetten ze het op YouTube waar iedereen het kan vinden. Is dit een goede ontwikkeling? Enerzijds wel omdat in een open samenleving mensen informatie nodig hebben om de juiste beslissingen te kunnen nemen. Anderzijds is in dit betreffende voorbeeld niet het hele verhaal gepubliceerd, maar slechts een stukje. Er zat een agenda achter. Dat gebeurt in de traditionele journalistiek – als het goed is – niet.

Maar volgens enkele bekende bloggers is het misschien wel gevaarlijk dat The New York Times zichzelf als te geloofwaardig beschouwd. Verslaggever Judith Miller kreeg de vrije hand om te schrijven over Saddam Hussein en de productie van massavernietigingswapens in Irak. Het vermoeden dat Irak mogelijk kernwapens produceerde heeft de regering Bush gestimuleerd de tweede Irak oorlog te beginnen. Een zeer pijnlijke fout…

De toekomst van het krantenbedrijf
Eind 2009 moest de New York Times 100 medewerkers uitkopen en ontslaan. Er heerst nu een grafstemming, omdat niemand weet waar het ophoudt. Er zijn in ieder geval genoeg ‘doodwensers’ voor de traditionele kranten die in ‘Page One’ uitgebreid aan het woord komen. Hun argument? Kranten zijn technologiebedrijven, niet meer en niet minder. Media veranderen. Zo simpel is het. Toch heeft de traditionele media een functie, stellen de journalisten, want wie gaat anders professioneel de politiek verslaan? De vraag is waar het geld vandaan moet komen om dat te bekostigen. Een klant die een dollar betaalde voor de papieren krant betaalt nu een cent of minder voor zijn dagelijkse dosis online nieuws. Waar het heen gaat weet niemand, ook niet de kranten executives die ieder denkbaar model hebben overwogen.

Page One - New York Times 3

Het blijft een moeilijk verhaal. De documentaire streept het dilemma extra aan door verslaggevers te tonen die passievol werken aan hun journalistieke verhalen, zoals David Carr – voormalig crackverslaafde en nu columnist op het gebied van media en cultuur – over het faillissement van de Tribune Company. Hoofdredacteur Keller beargumenteerd dat een democratie informatie nodig heeft om te functioneren, en voor een betrouwbare journalistieke functie is geld nodig. De mensen die ‘dood aan traditionele kranten’ schreeuwen, kijken daar vaak overheen.

Momenteel is het hybride model in opkomst. Samenwerkingen tussen oude en nieuwe mediabedrijven. Dat dit prima kan werken toont de samenwerking tussen CNN en Vice Magazine aan. Laatstgenoemde kan (beeld)materiaal leveren waar een mainstream kanaal als CNN moeilijk aan kan komen. Dit soort samenwerkingen zijn essentieel voor kranten als The New York Times, zegt ook Arianna Huffington, oprichter van gratis online krant The Huffington Post. ‘De toekomst ligt elders. Het is een gekoppelde economie met zoekmachines en online adverteren. Het is burgerjournalistiek. Als je daar je weg niet in weet ben je verloren.’

Gaat icoon The New York Times het overleven? Waarschijnlijk wel. Ze hebben alleen nog een flinke transitieslag te maken.

Help, mijn baan wordt binnenkort opgeheven!!!

Ik zag van de week dit bericht in Het Financieele Dagblad:

Mijn baas heeft het hopelijk niet gezien. Deze ontwikkeling zat er al een tijdje aan te komen, en komt nu snel dichterbij. Of maak ik me teveel zorgen? Immers, ik besteed nog altijd uren per week aan het uittikken van audiofiles. Een programma met stemherkenning zou toch wel in staat moeten zijn dit bestand met een druk op de knop om te zetten in uitgeschreven tekst. Dit zou mijn leven er veel gemakkelijker maken en ik zou meer tijd kunnen besteden aan inhoud. Maar dit is er ook nog niet, dus moet ik me zorgen maken om een robot die artikelen schrijft?

Een slimme robot kan het internet afspeuren op basis van specifieke zoekwoorden en dit samenvoegen tot basisartikel. Hij (of zij?) kan het ook zelf via een content management systeem online plaatsen. Maar hoogwaardige journalistieke content afgestemd op de lezer? Ik dacht het niet. Bedrijven sturen nog altijd persberichten de wereld in, met de ijdele hoop dat de journalist het klakkeloos overneemt. Een robot zou dit doen, maar een journalist kijkt, onderzoekt, analyseert, vergelijkt, stemt af en vraagt door. En daarmee is mijn baan voorlopig veilig.

De eerste robots die echt kunnen schrijven zijn nog ver weg, en worden in eerste instantie ontwikkeld voor megaredacties zoals The New York Times. Voor de kleine redactie of de eenzame webredacteur is zo’n systeem onbetaalbaar. En mocht het in 2080 toch zo ver zijn, zijn er nog altijd content experts nodig om zo’n ding juist te programmeren. Ik hoef me voorlopig nog niet om te scholen.