Recensie: The Sicilian (Mario Puzo, 1984)

De schrijver van de bestseller ‘The Godfather’ uit 1969 heeft nog een aantal populaire boeken over de maffia geschreven. Met ‘The Sicilian’ heb ik ze allemaal gelezen (hij schreef ook ‘The Last Don’ en ‘Omerta’).

‘The Sicilian’ gaat over het prachtige, maar door problemen geteisterde eiland Sicilië dat in de jaren na de oorlog – na het desintegreren van de fascistische overheid van Mussolini – formeel wordt geregeerd door de Christendemocraten en informeel door ‘de vrienden van de vrienden’ – de maffia – met aan het hoofd de almachtige Don Croce.

De mensen zijn straatarm en worden volledig uitgeknepen door de machthebbers. In dit tijdsgewricht vol onrecht staat er een volksheld op die het volk wil bevrijden: Salvatore ‘Turi’ Giuliano. Samen met zijn beste vriend Gaspare ‘Aspanu’ Pisciotta begint hij een guerrillabeweging. Vanuit de bergen plegen zij overvallen en kidnappen ze belangrijke figuren voor losgeld. De buit distribueren ze vervolgens onder de boeren en het gewone volk. Giuliano wordt de Robin Hood van Sicilië.

Na zeven jaar bandieterij, escaleren de zaken volledig en de geliefde Giuliano is gedwongen naar Amerika te vluchten. En de man die hem daar als geen ander bij kan helpen is Michael Corleone die aan het einde is gekomen van zijn periode onderduiken op het door Italië geregeerde eiland. Maar zal Giuliano in staat zijn te ontkomen aan de sluwe Don Croce?

Het talent van Mario Puzo is dat zich feilloos kan verplaatsen in mannen met macht (ja, het zijn altijd mannen); hoe ze praten, hoe ze denken en hoe ze hun acties bepalen. Hoe erg je als lezer ook op je hoede bent voor de volgende maffia-valstrik of het volgende verraad, hij blijft je altijd een stap voor. The schrijvers van Game of Thrones en House of the Dragon zijn Puzo wel wat verschuldigd, vind ik.

‘The Sicilian’ kan beschouwd worden als een soort spin-off verhaal in de saga van ‘The Godfather’. Een verhaal dat een deep dive neemt in de ziel van de Siciliaan, de geschiedenis van het land en de oorsprong van de mythische maffia. De bandiet Giuliano bestond echt en het verhaal is deels gebaseerd op zijn leven.

In 1987, verfilmde Michael ‘The Deer Hunter’ Cimino het boek met Christopher Lambert als Giuliano en John Turturro als Pisciotta. Het werd geen succes helaas. Lambert weet totaal niet te overtuigen en eigenlijk is geen enkele keuze van de filmmakers goed uitgepakt. Het is niet spannend, niet meeslepend en niet romantisch. Het is niet vreselijk om naar te kijken, maar ik heb er eigenlijk niets positiefs over te melden. Het boek daarentegen is zeer de moeite waard.

Het defecte management control system van de maffia

Lees ook:
De maffiaboeken van Nicholas Pileggi – Deel 1: Wiseguy: Life in a Mafia Family
De maffiaboeken van Nicholas Pileggi – Deel 2: Casino: Love and Honor in Las Vegas

Waarom gaat het altijd mis met gezworen maffialeden? Waarom kunnen ze niet gewoon hun mond houden en hun tijd uitzitten als ze gepakt worden? Sommige kunnen het wel: John Gotti bijvoorbeeld. Maar er zijn ook talloze ratten die hun familie verraden om hun eigen hachje te redden. De bekendste zijn Henry Hill, Joseph Valachi en Sammy ‘the Bull’ Gravano (die John Gotti levenslang bezorgde). De reden is dat het strakke managementsysteem van de maffia zich regelmatig tegen de organisatie keert.

In 1991 werd Alphonse ‘Little Al’ D’Arco – ‘made member’ en zelfs enige tijd ‘acting boss’ van de Luchese familie – bijna geliquideerd in een hotelkamer. Hij wist te ontkomen en besloot kort daarna getuige te worden voor de FBI. Hij was het lid met de hoogste rank binnen de maffia ooit die getuige voor de overheid werd. In 2013 verscheen het boek ‘The Life of Little Al D’Arco, the Man Who Brought Down the Mafia’ van Jerry Capeci en Tom Robbins over het leven van D’Arco.

D’Arco geloofde in de maffia; het bezorgde hem een inkomen en bovenal respect. In ‘Mob Boss’ beschrijft hij hoe hij na een lange loopbaan eindelijk officieel lid werd gemaakt van de Luchese familie. De ceremonie is al vaak beschreven: het mes en pistool op tafel, een prik in de vinger en het bloed van de ingewijde op de kaart van een heilige. Deze kaart wordt vervolgens verbrand en de leider van de familie zegt; ‘als je ons verraad zal je ziel eeuwig in de hel branden, zoals deze kaart’. Ook wordt duidelijk gemaakt dat de maffiafamilie voor alles komt, inclusief je eigen gezin. Dit lijkt een slechte deal, maar er komen ook voordelen met het lidmaatschap: andere criminelen kunnen niet meer aan je bezittingen komen; wat van jou is, is nu echt van jou.

Natuurlijk kunnen gemaakte leden van de maffia ook vermoord worden als ze de regels overtreden. D’Arco had hier begrip voor, al was hij het niet altijd eens met de manier waarop het ging. Zo was hij er getuige van dat gangster Tommy de Simone (in GoodFellas legendarisch neergezet door Joe Pesci) een bar binnenkwam helemaal in mooie kleding gestoken. Hij dacht dat hij gemaakt ging worden. Kort daarna zag hij hem in een pizzeria met twee ‘vrienden’. Het zou zijn laatste avondmaal worden. Ook al had DeSimone de regels gebroken (een made guy vermoord) vond D’Arco dit disrespectvol. “Ze zeggen dat ze hem gaan maken en ze whacken hem.”

Maar moord is soms nodig om het strakke regime van de maffia in stand te houden. Problemen ontstaan als het middel onnodig wordt ingezet. En dat is waar het misging in de Luchese familie en bij andere maffiafamilies. De baas en onderbaas van de familie – Vittorio ‘Little Vic’ Amuso en Anthony ‘Gaspipe’ Casso (ja, alle maffialeden hebben bijnamen) – werden gezocht voor een grootschalige bouwfraude en moesten onderduiken. Ze stelden D’Arco aan als tijdelijk leider. Het duurde niet lang voor het eerste moordcontract binnenkwam. Er zouden er vele volgen in korte tijd. De slachtoffers waren meestal andere leden die ervan beschuldigd werden verrader te zijn. D’Arco liet de contracten uitvoeren, maar begon steeds meer twijfel te krijgen bij de legitimiteit van de opdrachten. Toen werd hij er zelf van beschuldigd rat te zijn en had hij geen keuze om onder te duiken.

Wanneer je er als organisatie zulke extreme regels op na houdt is de ‘tone at the top’ nog belangrijker dan normaal. Bazen, zoals Paul Castellano, die hun mannen drugshandel verbieden, maar er zelf rijk van worden vragen erom dat hun manschappen gaan muiten.

Door deze hiërarchische machtsstructuur voort te blijven zetten heeft de maffia in de Verenigde Staten flink veel macht moeten inleveren. In de tijd voor Lucky Luciano (jaren 50’) – onder de oude ‘Mustache Pete’s’ (Siciliaanse bazen die de connectie met de oorspronkelijke maffia op Sicilië bleven onderhouden – werkte het nog. Toen kwam Luciano met de oprichting van de commissie en brak de glorietijd voor de Amerikaanse maffia pas echt aan. Maar door hebzucht begonnen de oude maffiawaarden in rap tempo af te brokkelen. In de jaren 70’s werden de boeken gesloten en namen de bazen lange tijd geen nieuwe leden aan omdat ze dan hun inkomsten dan met meer leden zouden moeten delen. Deze manier van denken heeft de maffia pas echt de das omgedaan.

Is het tijd voor een nieuw ‘losser’ maffia organisatiemodel voor de 21ste eeuw? Daar is het al veel te laat voor. De maffia had al veel eerder moeten veranderen hadden ze onderdeel van deze eeuw willen uitmaken. De macht die ze ooit hadden krijgen ze nooit meer terug. Dit is een les voor ondernemingen: organisaties bestaan uit niets anders dan het geloof van de mensen die er werken. Verliezen ze hun geloof, dan verliest de organisatie zijn macht.