Nog 10 economische ideeën die je echt moet kennen

Verbeter je economisch denken met deze 10 economische theorieën en definities. Dit is een vervolg op: 10 economische ideeën die je echt moet kennen

11. Communisme
In 2005 stelde BBC een lijst samen van de meeste favoriete filosofen aller tijden. Op de eerste plaats kwam Karl Marx met een verbijsterende 28 procent van de 30.000 stemmen. Hoe kan het dat Marx zo populair is terwijl zijn ideeën in de praktijk mislukt zijn? Het centrale idee in de theorie van Marx is dat maatschappijen – net als mensen – door een evolutieproces gaan. Daarbij adapteren ze eerst minder ideale systemen, zoals kapitalisme, om uiteindelijk te eindigen met het ideale, klasseloze systeem: het communisme. Het is echter ontzettend lastig gebleken een economie centraal aan te sturen. De voorbeelden uit de 20ste eeuw zijn dan ook niet erg succesvol te noemen. De Sovjet Unie heeft zich op slecht één gebied ontwikkeld tijdens het communistische bewind: ruimtevaart en het leger. Niet toevallig was dat ook het enige gebied waarop het concurrentie ondervond, namelijk van de Verenigde Staten.

12. Individualisme
Individualisme stamt uit de Oostenrijkse school van economie, begonnen door Carl Menger. Het centrale idee is dat individuele keuzes het grootste belang hebben. Mainstream economics is een top-down studie die kijkt naar hoe goed een economie het doet, en aan welk beleid dat te wijten is. In de Oostenrijkse school werd het individu op de voorgrond geplaatst. Het economisch succes van een land is de optelsom van de keuzes van miljoenen individuen. Wat heb je aan dit gedachtegoed dat sceptisch staat tegenover forecasts, en economie ziet als kunst en niet als wetenschap? Toch is het een belangrijk idee geweest in de toename van laisser-faire; het vrij laten van productie en (handels)verkeer. Dit vormde het centrale idee in de regeringen van Ronald Reagan en Margaret Thatcher.

13. Aanbodeconomie (supply side economics)
Gericht op de aanbodskant van de economie (bedrijven en werknemers). Dit is een controversieel onderwerp omdat het twee groepen in tweeën splitst: diegenen die geloven dat de overheid een rol te vervullen heeft in de distributie van welvaart, en diegenen die geloven dat je mensen en bedrijven zoveel mogelijk vrij moet laten. Die laatste groep is bijvoorbeeld vaker voorstander van privatisering van water- en energiebedrijven. Fiscaal beleid is ook een belangrijk onderdeel van aanbodeconomie, omdat het een belangrijke prikkel is om de aanbodskant (productie en arbeid) in beweging te krijgen. Vraagt de overheid te veel belasting, wordt het minder aantrekkelijk om te gaan werken. Vragen ze te weinig, dan hebben ze te weinig inkomsten om sociale voorzieningen in stand te houden. De kunst is om precies het juiste tarief te vinden.

14. Marginalisme
De hele nacht doorleren voor een examen doe je omdat je je diploma wilt halen, maar er komt een punt waarop je beter kunt gaan slapen dan verder doorleren. Dat is het bepalen van de marge. Een ander voorbeeld is het produceren van een gloeilamp. Op een gegeven punt is de omzet die je haalt uit de productie van één extra gloeilamp lager dan de productiekosten die je ervoor moet maken. Marginalisme wordt dus geassocieerd met argumenten over veranderingen in de hoeveelheden van een product of dienst die de subjectieve waarde bepalen. De Britse econoom Alfred Marshall speelde een belangrijke rol in de ‘marginalist revolution’, het idee dat consumenten proberen hun consumptie aan te passen totdat het marginale nut gelijk komt te staan aan de prijs.

15. Geld
Niet alles in de economie is geld, maar geld maakt wel economen van ons allemaal. Zonder geld zouden we aan ruilhandel overgeleverd zijn, en zouden onze economieën zeer complex en inefficiënt worden. Geld is een rekenmiddel waarmee we gemakkelijk de waarde van transacties kunnen berekenen. Er zijn twee soorten. Grondstoffen (commodity) geld dat een intrinsieke waarde heeft, zoals goud, voedsel en sigaretten (in een gevangenis). En chartaal (fiat) geld, zoals een briefje van vijf euro dat iets waard is omdat de overheid dat zegt. Geld functioneert alleen als er vertrouwen is. Een belangrijke rol van de overheid is zorgen dat geld in de toekomst nog wat waard is om het vertrouwen te handhaven. Hoeveel geld er in een economie omgaat is een goede manier om vast te stellen hoe gezond een economie is. Mensen die veel geld hebben voelen zich rijk en geven veel uit. In reactie daarop kopen bedrijven meer grondstoffen en materialen in om aan de vraag te voldoen.

10 economische ideeën - Geld

16. Micro en Macro
Micro is klein. Macro is groot. Micro-economie – een bottum-up benadering van economie – houdt zich bezig met de vraag hoe huishoudens en bedrijven beslissingen nemen en interacteren met de markt. Macro-economie – een top-down benadering – houdt zich bezig met het functioneren van complete economieën. De micro-economie is een heel breed veld dat kijkt naar vraag en aanbod, en hoe bijvoorbeeld huishoudens reageren op zekere belastingmaatregelen. Specialismen binnen de micro-economie zijn bijvoorbeeld public finance, de arbeidsmarkt, of een bepaalde sector. Een macro-econoom zal zich typisch afvragen waarom de groei van een land zo hoog is, terwijl de inflatie laag blijft (dit was het geval in de VS in de jaren 90’). Een ander voorbeeld is Pikkety die onderzoekt waarom er meer ongelijkheid is ontstaan in o.a. het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk.

17. Bruto Binnenlands Product (BBP)
Het belangrijkste economische cijfer dat de inkomsten en uitgaven van een land of economie meet. Daarbij worden ook de inkomens van buitenlandse firma’s meegerekend die binnen de grenzen van dat land opereren. Het nominale BBP betekent dat de inflatie al verrekend is in het cijfer. Economen kijken vooral naar de groei van het BBP. Of de krimp natuurlijk; als het BBP twee kwartalen achter elkaar daalt zit dat land in een recessie. Het BBP heeft wel wat beperkingen. Stel, dat een land bijvoorbeeld heel veel immigranten binnenhaalt stijgt het BBP wel, maar niet de individuele output per medewerker. Daarom kijken sommige economen liever naar de productiviteit per medewerker. Toch blijft het BBP de maatstaf om het succes van een economie aan af te lezen.

18. Centrale banken and rentetarieven
Centrale banken sturen de economie weg van ‘booms en busts’. Als de economie heel hard groeit moeten ze de rente verhogen om op een beschaafde wijze een einde aan het feestje te maken. Als de economie in een dal raakt kunnen ze de rente weer verlagen, zodat de economie weer een kickstart krijgt. Niet alleen inflatie wordt beïnvloed door rentetarieven, maar ook valuta. Dat maakt het meer of minder interessant voor landen om te investeren in het land, en het kan de export duurder en onaantrekkelijker maken.

Een ander controlemechanisme van centrale banken is bepalen hoeveel reserves de banken moeten aanhouden, die weer bepaalt hoeveel ze aan hun klanten kunnen uitlenen. Centrale banken hebben ook de functie het onderliggende economische systeem te ondersteunen. Als alles goed gaat op Wall Street en in The City is zo’n rol nauwelijks nodig, maar na de crisis van 2008 pompte centrale banken – als ‘lender of last resort’ – heel veel geld in de economie onder de noemer ‘quantitative easing’. De gevolgen hiervan zijn nog onbekend, maar in de economie bestaat er niet zoiets als een ‘free lunch’.

19. Inflatie
Aan het begin van het millennium werd Zimbabwe getroffen door hyperinflatie. Het vervelende van inflatie is dat het ‘out of control’ kan schieten. De belangrijkste rol van centrale banken en landen is om inflatie op een acceptabel niveau te houden. Als het te hoog is, dan raakt de economie oververhit. Als het te laag is, raakt de economie in een malaise. Bij een hoge inflatie is het probleem dat teveel geld achter te weinig goederen aanzit. Centrale banken kunnen dan de rente verhogen, zodat er minder geleend wordt en de balans wordt hersteld. Meestal wordt inflatie per jaar gemeten. Een inflatie van drie procent per jaar betekent dat de prijzen over de hele economie drie procent hoger liggen dan 12 maanden eerder. Te hoge inflatie is zeer schadelijk voor de economie. Stagflatie is hoge inflatie gekoppeld aan recessie. Ideaal voor de economische ontwikkeling is langzaam stijgende prijzen.

20. Schuld en deflatie
In de jaren 20’ in de Verenigde Staten was er veel gespeculeerd met geleend geld door banken wat leidde tot de grote crash van 1929, die gevolgd werd door een jarenlange depressie (langdurige krimpende economie). Een van de problemen die aan het hart lag van de crisis was deflatie. Mensen hadden het gevoel dat de prijzen opgeblazen waren – wat ook zo was – en als gevolg hiervan begonnen de prijzen heel hard te dalen. Geld werd dus wel meer waard, maar schulden werden veel duurder om af te lossen, het grootste probleem van deflatie.

Deflatie is een ramp voor werkgevers. Ze verdienen minder aan hun producten en diensten, maar zitten juridisch wel vast aan verplichtingen, zoals schulden en personeelskosten. Het leidt dus tot werkloosheid. Banken hebben het probleem dat personen en bedrijven waar ze schulden hebben uitstaan deze niet meer kunnen afbetalen. Het lijkt dus in eerste instantie aantrekkelijk voor werknemers, maar is dat niet. Bij deflatie is het probleem dat schulden opgeblazen worden. De oplossing voor deflatie van centrale banken is obligaties opkopen en geld in de economie pompen. Dat is dan ook precies wat centrale banken sinds 2008 hebben gedaan. Dit lijkt het gewenste effect te hebben, maar is dat ook zo?

Gebaseerd op:
‘50 Economics Ideas You Really Need to Know’
by Edmund Conway
(Maar voor de overige 30 moet je het boek maar lezen)

In 7 stappen meesterschap bereiken

“Do not think that what is hard for you to master is humanly impossible; and if it is humanly possible, consider it to be within your reach”
—Marcus Aurelius

Mastery 1

In het boek ‘Mastery’ bespreekt auteur Robert Greene het belang van en de weg naar meesterschap. In het begin van het boek rekent Greene af met het idee van ‘genieën’. Volgens zijn uitgewerkte theorie – gebaseerd om neuro- en cognitieve wetenschap en talloze biografieën van uitblinkers – zijn bijzonder bekwame mensen, zoals Mozart, Da Vinci en Darwin, zo goed geworden omdat ze hun roeping hadden gevonden en in de gelegenheid kwamen om heel veel te oefenen. In het bereiken van meesterschap volgden zij allemaal hetzelfde pad, betoogt Greene.

Wat mensen onderscheidt van dieren is het vermogen om tijd in ons voordeel om te buigen. Om vaardigheden te bekwamen, zodat het uiteindelijke resultaat veel beter is dan wanneer we direct actie zouden ondernemen. Om instrumenten zo vaak te gebruiken dat ze als een extra ledemaat worden. Als kinderen blijven we zo lang hulpeloos en onbekwaam om ons in staat te stellen onze hersenen te ontwikkelen; ons unieke instrument waarmee we meesterschap kunnen bereiken in ons leven. Welke stappen zijn nodig om deze staat te bereiken?

1. Vind je roeping
Meesterschap begin altijd bij passie. De passie van Charles Darwin was bijvoorbeeld verzamelen. Hij had helemaal niet zo’n scherp intellect, heeft de bedenker van de evolutietheorie zelf eens gezegd, maar door zijn roeping te volgen is hij uiteindelijk de bekendste en belangrijkste bioloog aller tijden geworden.

De lange reis die Darwin maakte op de Beagle als scheepsbioloog heeft zijn leven veranderd. Vijf jaar lang verzamelde hij ongelofelijke hoeveelheden fossielen en monsters. Hij bedacht een systeem voor het verzamelen en categoriseren van specimens en ontwikkelde een zesde zintuig voor het herkennen van soorten. Zonder zijn diepe passie voor verzamelen had hij deze monsterklus nooit kunnen klaren. En als hij hier geen meester in was geworden, had hij nooit de theorie kunnen ontwikkelen die ons denken over leven voor altijd heeft veranderd.

Mastery 2 - Darwin

Wolfgang Amadeus Mozart kreeg de gelegenheid heel veel te oefenen. Op zijn vijfde was hij al een virtuoos op de piano. Hij was het echter zat om voor rijke mensen te blijven spelen. Zijn roeping bleek componeren te zijn en dat is hij dan ook gaan doen, ook al leidde dat tot een onherstelbare breuk met zijn vader. Een roeping wil gehoord worden, stelt Greene. En vaak moeten we daarvoor eerst obstakels overwinnen, zoals ouders die het beste met ons voor hebben, maar ons belemmeren te doen waar echt ons hart ligt. We zijn het aan onszelf verplicht onze roeping te vinden en die te volgen, wat er ook maar voor nodig is.

2. Stel leren centraal
Om meesterschap te bereiken moet je verschillende fasen door te beginnen met wat Greene de ‘apprenticeship phase’ noemt. Kies altijd de plek waar je het meeste kunt leren en ga nooit voor het geld. Als je gaat voor het bereiken van meesterschap, komt het geld vanzelf wel. Bovendien is het beter te wennen aan weinig geld, dan blijf je flexibel in het volgen van je pad. Natuurlijk heb je wel wat geld nodig om van te leven, maar dit hoeft geen belemmering te zijn je echte passie na te jagen. Einstein nam een simpel baantje bij een patentenbureau, zodat hij veel tijd over had voor zijn eigen gedachte-experimenten. Zijn eerste briljante theorieën bedacht hij in deze periode.

>>> Lees verder op FM.nl <<<

The Lesson of Aluminium

Gaius Plinus Cecelius Secundus, known as Pliny the Elder, was born in Italy in the year AD 23. He was a naval and army commander in the early Roman Empire, later an author, naturalist, and natural philosopher, best known for his Naturalis Historia, a thirty-seven volume encyclopaedia describing, well, everything there was to describe.

In one of his later volumes, Earth, book XXXV, Pliny tells the story of a goldsmith who brought an unusual diner plate to the court of Emperor Tiberius. The plate was a stunner, made from a new metal, very light, shiny, almost as bright as silver. The goldsmith claimed he had extracted it from plain clay, using a secret technique, the formula only known to himself and the gods.

Tiberius, though, was a little concerned. The emperor was one of Rome’s great generals, a warmonger who conquered most of what is now Europe and amassed a fortune of gold and silver along the way. He was also a financial expert who knew the value of his treasure would seriously decline if people suddenly had access to a shiny new metal rarer than gold. “Therefore”, recounts Pliny, “instead of giving the goldsmith the regard expected, he ordered him to be beheaded.”

The shiny new metal was aluminum, which remained scarce for a very long time after the beheading. It was the creation of a new breakthrough technology known as electrolysis, discovered independently and almost simultaneously in 1886 by American chemist Charles Martin Hall and Frenchman Paul Héroult that changed everything. The Hall-Héroult process, as it is now known, uses electricity to liberate aluminum from bauxite. Suddenly everyone on the planet had access to ridiculous amounts of cheap, light, pliable metal.

Save the beheading, there’s nothing too unusual in this story. History is littered with tales of once-rare resources made plentiful by innovation. The reason is pretty straightforward: scarcity is often contextual. Imagine a giant orange tree packed with fruit. If I pluck all the oranges from the lower branches, I am effectively out of accessible fruit. From my limited perspective, oranges are now scarce. But once someone invents a piece of technology called a ladder, I’ve suddenly got a new reach. Problem solved. Technology is a resource-liberating mechanism. It can make the once scarce the now abundant.

So what do we have shortage of? Water? Energy? The Earth is a water planet covered 70 percent by Oceans, however 97.3 percent of all water on this planet is salt water. As for energy, there is over five thousand times more solar energy falling on the earth surface than we can use in a year. It is not an issue of scarcity, it’s an issue of accessibility. Yet the threat of scarcity still dominates our worldview.

Abundance

Excerpt from ‘Abundance: The Future Is Better Than You Think
By Peter Diamandis and Steven Kotler

Europa in (permanente) crisis

Europa

Wanneer je Den Haag binnenrijdt, betreed je gelijk een andere wereld. Dit is waar de leiders van ons land zich ophouden. Vorige week woonde ik een lezing bij van prof. Mark Mazower (Columbia University) over de uitdagingen van Europa. Er waren wel 200 aanwezigen, allen leden van de Haagse elite; politici, intellectuelen en (hoge) ambtenaren. Ik voelde me een outsider – dat ben ik ook in deze kringen – en zo werd ik ook wel aangekeken. Wat je hier aantreft op deze bijeenkomsten is geen afspiegeling van de maatschappij.

Mazower betoogt dat het gezien de aanhoudende crisis in Europa makkelijk is om het zicht te verliezen op waar het allemaal om gaat. Maar waar gaat het eigenlijk om? Wat is het grotere plaatje? Volgens de professor gaat het Europese verbond in essentie om betere leefomstandigheden creëren voor iedere Europeaan. En daar kan niemand op tegen zijn. Verder moeten we stereotypen vermijden. Grieken zijn niet lui. Nederlanders die in Griekenland wonen betalen ook geen belasting. Het is het systeem dat niet goed is.

Klinkt als een nobel doel, maar gezien de enorme cultuurverschillen zou het doel net zo goed betere leefomstandigheden voor alle burgers ter wereld kunnen zijn. Wellicht heb ik meer met een Fransman dan een Taiwanees, cultureel gezien. Maar in tijden waarin de welvaart niet overvloeit, zullen mensen meer gefocust zijn op wat ze zelf verliezen dan op wat anderen kunnen winnen. Nationalisme zal oplaaien, dat is onvermijdelijk.

Natuurlijk zal een deel van de meer verlichte zielen in dit land de strategische doelen van het Europese project niet uit het ogen verliezen. Maar ondertussen blijven er brandjes ontstaan die snel uitwoeien tot enorme branden. We blijven voorlopig bezig met het blussen van die brandjes en het zal voor veel Europeanen lastig blijken solidair te zijn met elkaar. Er wachten nog donkere dagen voor het continent.