De volgende stap in de evolutie van de mens

Tijdens mijn vakantie bezocht ik met Loesje en Rosa de Veluwe, maar in mijn geest reisde ik stukken verder: naar Jupiter en daar voorbij.

Het begon met een bezoek aan de Apenheul waar mijn oog viel op deze poster:

Er staat op: ‘De aarde is een unieke planeet. Het is de enige planeet met miljoenen vormen van leven. Er is nog nooit een planeet gevonden waar de omstandigheden precies goed zijn voor zulk leven. Ergens oneindig ver weg in het heelal bestaat misschien nog wel zo’n planeet, maar daar zullen wij mensen nooit kunnen komen.’

Wat een kortzichtige, stellige, ongeïnspireerde en onware boodschap! Het klopt helemaal niet dat de aarde uniek is, en dat er misschien nog wel ergens zo’n planeet bestaat. Ja, de omstandigheden voor leven zijn op aarde bizar gunstig, maar het universum is zo onmetelijk en onvoorstelbaar groot, dat de kans zeer groot is dat er nog duizenden – misschien wel miljoenen – planeten zoals de aarde bestaan.

De laatste zin – daar zullen mensen nooit kunnen komen – is storend in zijn stelligheid. Het doet me denken aan de stelling van Dr. Lee DeForest (televisie en radio pionier) in 1957 dat de mens nooit de maan zou bereiken. Twee jaar later wisten de Russen al het ruimtevoertuig Luna 2 succesvol op de maan te landen. Tien jaar daarna volgen de eerste mensen.

Nu is het bereiken van planeten lichtjaren weg – in tegenstelling tot de maan – een bijna onvoorstelbaar lastige opgave. Ik schreef al eerder over de drie randvoorwaarden die daar voor in ieder geval opgelost moeten worden:
1. Ruimteschepen bemand met robots die de schepen kunnen besturen en door de ruimte kunnen navigeren en enorme afstanden kunnen afleggen, onderweg stoppend langs planeten om water en zuurstof uit de grond te onttrekken.
2. Deze schepen moeten uitgerust zijn met hyperslaapkabines zoals in de film ‘Alien’. Dit is de enige manier om zulke afstanden te overbruggen, want een ruimtereis naar een geschikte planeet kan wel honderden tot duizenden jaren duren.
3. Een systeem waarmee de astronauten de atmosfeer van de gevonden planeet geschikt kunnen maken voor overleving, dus de juiste verhouding zuurstof, stikstof en koolstofdioxide

Dit alles lijkt zeer uitdagend, maar niet onmogelijk voor het toekomstige, zeer geavanceerde menselijke ras.

Maar, later gedurende de vakantie, liet regisseur Stanley Kubrick me, middels een herkijk van zijn science fiction meesterwerk ‘2001: A Space Oddysey’, het licht zien. In deze klassieker vinden mensapen, en later hedendaagse mensen, een mysterieuze monolith. Dit is een machine die duidelijk door aliens op aarde en op de Maan en bij Jupiter geplaatst zijn. De openhaard is ons vakantiehuisje leek overigens wel wat op zo’n monolith:

Dit superieure alien ras heeft dus de afstand naar een ander zonnestelsel succesvol weten af te leggen. Wat de monolith precies is, en wat de bedoeling van de aliens is geweest, wordt in de film niet duidelijk gemaakt. De aliens zijn ook niet fysiek te zien en daarvoor staat op Wikipedia de volgende verklaring:

Astronomer Carl Sagan wrote in his book ‘The Cosmic Connection’ that Clarke and Kubrick asked his opinion on how to best depict extraterrestrial intelligence. Sagan, while acknowledging Kubrick’s desire to use actors to portray humanoid aliens for convenience’s sake, argued that alien life forms were unlikely to bear any resemblance to terrestrial life, and that to do so would introduce ‘at least an element of falseness’ to the film. Sagan proposed that the film suggest, rather than depict, extraterrestrial superintelligence. He attended the premiere and was ‘pleased to see that I had been of some help.’ Kubrick hinted at the nature of the mysterious unseen alien race in 2001 by suggesting, in a 1968 interview, that given millions of years of evolution, they progressed from biological beings to ‘immortal machine entities’, and then into ‘beings of pure energy and spirit’; beings with ‘limitless capabilities and ungraspable intelligence’.

Wow wow wow!!!! Dat is toch de gaafste opmerking ooit gemaakt over de aard van buitenaards leven? Het is daarnaast ook een directe visie op de volgende fase van de evolutie van de mens, namelijk van biologische wezens naar onsterfelijke machine eenheden. In deze tijden van digitale transformatie lijkt deze stap – die zowel verwondering als angst oproept – verre van onmogelijk. Hoe lang duurt het voor we allemaal ‘in de cloud zitten?’ Gezien het exponentiele karakter van de veranderingen die nu plaatvinden zou dit antwoord bizar dichtbij kunnen liggen: 20 jaar, 40 jaar, 100 jaar?

We gaan andere bewoonbare planeten dus niet bereiken als biologische wezens, maar als machines. En voor machines zijn afstand en tijd irrelevant. En de eerder geschetste randvoorwaarden ook trouwens. Machines hebben geen voedsel en zuurstof nodig. Zelfs de hele motivatie voor het vinden van een andere bewoonbare planeet verandert hierdoor. Net als in ‘2001: A Space Oddysey’ zou een nieuwe motivatie kunnen zijn het verder helpen van een beschaving die nog aan het begin van de evolutie staat. En zo zijn mensen geen mensen meer, maar goden. ‘2001: A Space Oddysey’ is daarmee een blik in het verleden en in de toekomst van het menselijk ras tegelijkertijd.

Wat als iedereen dat zou doen?

Hoe bepaal je uit moreel oogpunt wat het juiste is om te doen in een bepaalde situatie? Ga je dan op je gevoel af? ‘Het voelde juist’, geven mensen vaak als reden voor het nemen van een beslissing. Stel dat er een gewonde man bij je aanbelt, laat je hem dan binnen en bel je een ambulance omdat je empathie voor hem voelt?

Immanuel Kant

Volgens de Duitse filosoof Immanuel Kant (1724 – 1804) moeten mensen zulke beslissingen helemaal niet baseren op hun gevoel, maar op wat rationeel het juiste is om te doen. De gevoelens van mensen zijn nu eenmaal anders, vond Kant. Sommige mensen voelen veel empathie en anderen helemaal niet. Voor sommige mensen voelt het goed om geld uit te delen, en voor sommigen helemaal niet.

Wanneer je twijfelt over een morele beslissing, moet je volgens Kant de vraag stellen: ‘Wat als iedereen dat zou doen?’ Als dat niet erg zou zijn, maar positief, kun je dat inderdaad doen. Maar anders niet, want als iedereen uitzonderingen gaat maken wordt de wereld een immoreel zooitje.

Een andere vraag die je moet stellen is: ‘Respecteer ik met mijn actie het doel van alle mensen, of dient het alleen mijn eigen doel?’ Ook hier geldt: Als het alleen eigen doelen dient, niet doen. Kant geloofde dat deze vragen equivalenten waren. Tot slot, kun je je afvragen of je actie vanuit alle perspectieven als rechtvaardig gezien zou worden.

Moraliteitscheck bij beslissingen
1. Zou mijn actie een universele wet kunnen worden?
(Oftewel: Wat als iedereen dat zou doen?)
2. Dient mijn actie het belang van de mensheid als geheel?
(Gebruik ik mensen niet strikt als middel om mijn eigen doelen te bereiken?)
3. Is mijn actie te verantwoorden als regelgever en regelvolger?

Bij drie keer ‘ja’ zit je volgens Kant goed en kun je doorzetten.

We zijn allemaal morele mislukkingen

Stel, je bent lopend op weg naar een belangrijke afspraak, waarvoor je netjes gekleed bent. De schoenen die je draagt zijn net nieuw en hebben 200 euro gekost. Dan zie je een kind van twee jaar in de sloot vallen. Het kind kan duidelijk niet zwemmen en je ziet geen andere volwassenen in de buurt die kunnen helpen. Wat doe je? Let wel, het is een echte baggersloot.

Uiteraard duik je er achter aan en red je het leven van het kind. Dat je kleren en schoenen daarbij vies worden en misschien wel geruïneerd zijn neem je voor lief. Je laat een kind toch niet verdrinken? Natuurlijk niet.

Maar toch laat je kinderen in Afrika wel van de honger omkomen. Of doodgaan aan ziektes die met medicijnen genezen of voorkomen kunnen worden. Je kunt deze kinderen misschien niet zien, maar je weet dat ze er wel zijn. Je kunt ze lang niet allemaal redden, maar als je een deel van het geld dat je nu aan overbodige luxe uitgeeft – zoals te dure kleren, spullen die je niet nodig hebt en te luxe vakanties – aan een goed doel zou geven zou je vele kinderen het leven redden.

En je kunt niet de schuld geven aan de bedenkelijke kwaliteit van goede doelen en geen schenking doen omdat ‘dan veel geld aan de strijkstok blijft hangen’. Met een klein onderzoek kun je makkelijk vaststellen aan welk goed doel je je overtollige geld het beste kunt geven, wat deze stichting uitgeeft aan bedrijfsvoering en hoeveel van je geld uiteindelijk bij zieke en hongerige kinderen belandt. En bij de meeste goede doelen is dat een substantieel deel van je donatie. Waarom doe je het dan niet? Volgens de Australische filosoof Peter Singer zou je dat wel moeten doen.

Maar de meeste van ons kiezen voor luxe die we eigenlijk niet nodig hebben. Singer vindt het moreel onverdedigbaar dat sommige mensen in overvloed leven terwijl anderen doodgaan van de honger. Zelf doneert hij 33 procent van zijn salaris aan kosteneffectieve goede doelen. Hij is een aanhanger van het consequentialisme, of de gevolgenethiek, een stroming die mij erg aanspreekt. Het gaat erom dat je keuzes maakt die een maximaal positief resultaat opleveren voor zoveel mogelijk wezens.

Klopt, er staat ‘wezens’ en niet mensen. Dat is een andere opvatting van Singer die me erg bevalt. Alle wezens op aarde verdienen een gelijke behandeling. Wanneer je onderscheid maakt op grond van diersoort ben je volgens Singer een ‘speciest’.

Ja, dit is een confronterende blog ik weet het. Je wordt niet alleen voor morele mislukkeling uitgemaakt, maar ook nog eens voor speciest. Maar dat is wel hoe het is, tenzij je strikt vegetarisch leeft en al het geld dat je zou kunnen spenderen aan overmatige luxe weggeeft aan goede doelen.

Ik heb zelf afgelopen week een en ander van Singer gelezen, en ben nu hard aan het nadenken over hoe ik mijn leven moet veranderen om niet langer te kwalificeren als morele mislukkeling. Is Singer een moralist? Misschien wel, maar het is in ons eigen belang om heel goed na te denken over de keuzes die we maken. En ik voel me niet helemaal goed over de mijne. Er is veel ruimte voor verbetering en dat geldt denk ik voor bijna iedereen in onze maatschappij.

De wijsheid van Socrates

Mensen weten helemaal niks. Ze denken alleen veel te weten.

In het oude Griekenland – in Athene om precies te zijn – liep er dagelijks een eigenaardig mannetje op straat iedereen vragen te stellen over uiteenlopende onderwerpen. Dat iemand dat doet is bijzonder. Mensen stellen elkaar eigenlijk heel weinig vragen. De meeste mensen vinden het fijner om aan het woord te zijn. Luisteren kost ze veel moeite.

Het vragen stellende mannetje heette Socrates (ca. 469 v.Chr. – 399 v.Chr.) en hij is één van de grondleggers van de filosofie. Filosofie betekent zoiets als ‘liefde voor de wijsheid’. Een passende definitie is: ‘Filosofie is het nadenken over het denken zelf en over het object van het denken. Meer concreet kan men zeggen dat de filosofie zich bezighoudt met vragen die door de wetenschap niet kunnen worden beantwoord of niet eens worden gesteld, zoals bijvoorbeeld de meest fundamentele vraag waarom er iets bestaat en niet veeleer niets.’

De meeste mensen die iets weten vragen niet verder, terwijl naar wij als mensen onmogelijk alles al kunnen weten over iets. Zelfs als we de feiten hebben kunnen we ons afvragen of de realiteit die we ervaren wel echt is. Kunnen we 100 procent aannemen dat het klopt dat wat onze zintuigen ons vertellen wat waar is? Nee, natuurlijk niet. Daarom is het nuttig en terecht om vragen te blijven stellen, ook al wordt dat vaak – zoals ook in het geval van Socrates – als bijzonder irritant ervaren.

Een vriend van Socrates bezocht het onfeilbare orakel van Delphi en vroeg haar: ‘Is er iemand wijzer dan Socrates?’ Het antwoord van het orakel was: ‘Nee, er is niemand wijzer dan Socrates.’ Toen Socrates dit hoorde van zijn vriend was hij verbaasd. Er waren toch zoveel mensen rondom hem met onuitputtelijke kennis? Maar jaren later begreep hij wat het orakel had bedoeld. Wijsheid is niet het kennen van zoveel mogelijk feiten, althans zaken die men voor feit aanneemt. Het is juist alle kennis ter discussie stellen om zo te komen tot steeds nieuwe inzichten over het leven en de wereld om ons heen. Socrates bezat die wijsheid. Hij was geen geleerde met een enorm ego die ermee pochte de wijsheid in pacht te hebben. Wat hij deed was vragen stellen. En dat is de les die hij voor ons heeft achtergelaten: ‘I know that I know nothing’. Dus stel veel vragen en blijf ze stellen.

Socrates