Fear and Loathing in Las Vegas: De ultieme trip van de jaren 70′

Door Jeppe Kleijngeld

‘Uppers are no longer stylish. Methedrine is almost as rare, on the 1971 market, as pure acid or DMT. ‘Consciousness Expansion’ went out with LBJ (Lyndon B. Johnson, red.). . . and it is worth noting, historically, that downers came in with Nixon.’
– Fear and Loathing in Las Vegas: A Savage Journey to the Heart of the American Dream (1971)

Deze must-read klassieker wordt wel samen met ‘Fear and Loathing: On the Campaign Trail ‘72‘ beschouwd als Gonzo journalist Hunter S. Thompson’s meesterwerk (het is mijn favoriete boek aller tijden). Beide boeken schreef hij in zijn hoogtijdagen begin jaren 70′, een bijzondere, vreemde en bewogen periode waarin Thompson’s creativiteit en talent tot geniale wasdom kwam.

‘We were somewhere around Barstow on the edge of the desert when the drugs began to take hold.’ Dit zijn de beruchte eerste woorden van deze literaire sensatie die veel weg heeft van een op hol geslagen hersenspinsel van Thompson. Zo omschrijft hij het een jaar later dan ook (min of meer) zelf op in ‘Fear and Loathing: On the Campaign Trail 72’. ‘I have a bad tendency to rush off on mad tangents and pursue them for fifty of sixty pages that get so out of control that I end up burning them, for my own good. One of the few exceptions to this rule occurred very recently, when I slipped up and let about two hundred pages go into print… ‘ Hiermee doelt Thompson op de oorspronkelijke tweedelige publicatie van ‘Fear and Loathing in Las Vegas’ in Rolling Stone Magazine op 11 en 25 november 1971.

Ter inspiratie van het Fear and Loathing manuscript gebruikte Thompson twee tripjes naar Las Vegas met goede vriend Oscar Zeta Acosta. Deze latino-activist vormde de basis voor het centrale personage Dr. Gonzo. Het werd een krankzinnig, met drugs en ether doordrenkt verhaal, dat als metafoor diende voor Amerika’s ‘Season in Hell’. De vredige jaren 60′ waren voor veel Amerikanen, waaronder Thompson, geëindigd in een complete depressie. Nixon was gekozen tot president en de volledig uit de klauwen gelopen Vietnam oorlog eiste steeds meer slachtoffers.

‘Fear and Loathing in Las Vegas’ vertelt het verhaal van de heilige missie van twee vrienden, de freak journalist Raoul Duke en zijn psychopathische advocaat Dr. Gonzo, om de Amerikaanse droom te vinden. Als die überhaupt nog bestond. Ze trekken naar Las Vegas (het zenuwcentrum van de Amerikaanse droom) om een woestijnrace te verslaan, maar al snel verlaten ze het werk en maken ze een serie bizarre en beangstigende trips mee. Daarbij trashen ze hotelkamers, komen ze in extreem angstaanjagende en paranoïde situaties terecht, hebben ze bizarre aanvaringen met representanten van de lokale gemeenschap en moeten ze elkaar behoeden voor totale zelfvernietiging.

De Britse cartoonist Ralph Steadman maakte de geniale tekeningen bij het boek

De Britse cartoonist Ralph Steadman maakte de geniale tekeningen bij het boek.

Het is een van de grappigste boeken ooit geschreven. Thompson’s gestoorde en paranoïde gedachtegangen zijn zo hilarisch dat ik het boek vaak moest wegleggen omdat ik te hard moest lachen. Vooral (voormalig) drugsgebruikers zullen zich goed kunnen verplaatsen in Thompson’s waanzinnige observaties en belevenissen. ‘By the time I got to the terminal I was pouring sweat. But nothing abnormal. I tend to sweat heavily in warm climates. My clothes are soaking wet from dawn to dusk. This worried me at first, but when I went to a doctor and described my normal daily intake of booze, drugs and poison he told me to come back when the sweating stopped.’

Bij het herlezen van het boek, vroeg ik me wederom af hoeveel van het verhaal echt is en hoeveel verzonnen. Het antwoord staat (min of meer) in ‘The Great Shark Hunt’, een verzameling eerder gepubliceerd werk van Thompson uitgegeven in 1979. Zoals bij vele klassieke verhalen is de ontstaansgeschiedenis van Fear and Loathing een interessant verhaal op zichzelf. Thompson werkte in deze turbulente dagen van de Amerikaanse geschiedenis aan een artikelenreeks over Ruben Salazar, een Mexicaans-Amerikaanse journalist die naar verluidt was vermoord door een Los Angeles hulpsheriff tijdens een anti-Vietnam demonstratie.

Een van de belangrijkste bronnen van het verhaal was Acosta, maar Thompson kon nauwelijks met hem praten omdat diens militante volgelingen geen blanken dulden in hun omgeving, of die van hun leider. Thompson en Acosta besloten naar Las Vegas te gaan waar Thompson de opdracht had om een verhaal te schrijven over de Mint 400 woestijnrace. Hier konden ze ontspannen praten over de kwestie Salazar. Wat volgde staat allemaal in het boek… Met de nodige toegevoegde waanzin uiteraard.

In het artikel over Fear and Loathing in ‘The Great Shark Hunt’ beschrijft Thompson dit boek als een mislukt experiment in Gonzo Journalistiek. Zijn idee was een notitieblok te kopen en daarin alles op te nemen zoals het gebeurde. Vervolgende wilde hij het notitieblok insturen voor publicatie, zonder enige aanpassing of opmaking. Het oog en de geest van de journalist zouden zo functioneren als de camera. Maar dit is verdomd moeilijk, stelt Thompson. Dus werd het een ander soort verhaal als hij oorspronkelijk in gedachten had.

Het magazine Sport Illustrated, waarvoor hij het Mint 400 verhaal zou schrijven, wezen het manuscript af en weigerden Thompson zijn onkosten te vergoeden. Na het vertrek van Acosta uit Vegas zat Thompson daar met een hotelschuld die hij niet kon betalen. Hij vluchtte uit Nevada en dook onder in Arcadia, nabij Los Angeles. In een week van slapen en schrijven tekende hij het Salazar verhaal op. Maar elke avond rond middernacht werkte hij ter ontspanning een paar uurtjes aan het ‘gestoorde’ Las Vegas verhaal.

Toen hij weer in San Francisco kwam bij het hoofdkwartier van Rolling Stone Magazine om het Salazar verhaal door te lopen, nam uitgever Jann Wenner het Vegas manuscript, dat inmiddels 5.000 woorden omvatte, serieus als losstaande publicatie. Thompson kreeg een publicatiedatum en geld om er verder aan te werken. Het eindresultaat kan ik onmogelijk beter omschrijven dan Thompson zelf; ‘Fear and Loathing in Las Vegas will have to be chalked off as a frenzied experiment, a fine idea that went crazy about halfway through… a victim of its own conceptual schizophrenia, caught & finally crippled in that vain, academic limbo between ‘journalism’ & ‘fiction’. And then hoist on its own petard of multiple felonies and enough flat-out crime to put anybody who’d admit to this kind of stinking behavior in the Nevada State Prison until 1984.’

In de oorspronkelijke publicatie in Rolling Stone Magazine stond ‘geschreven door Raoul Duke’. Thompson was bang in de problemen te raken als hij onder zijn eigen naam zou publiceren, omdat hij zichzelf in het verhaal toch afschildert als dronken, hallucinerende crimineel. Toen het boek uitkwam in 1971 waren de kritieken wisselend, maar er waren veel critici die het werk herkende als belangrijke Amerikaanse literatuur. Daarnaast werd het boek een groot cult succes. ‘Fear and Loathing in Las Vegas’ grijpt perfect de zeitgeist van de periode na de jaren 60’ en veel fans voelden zich hierdoor aangetrokken.

In 1996 kwam er een audioboek versie uit van Margaritaville Records and Island Records om het 25 jarige bestaan van het boek te vieren. De stemmen werden verzorgd door Harry Dean Stanton (verteller/Hunter S. Thompson), Jim Jarmusch (Raoul Duke) en Maury Chaykin (Dr. Gonzo). Misschien komt omdat ik de film vaak gezien hebt met de briljante optredens van Johnny Depp en Benicio Del Toro, maar ik vond het een erg slechte audio adaptatie. De stemmen kloppen niet bij de karakters die verbeeld worden en de acteurs lijken zich niet echt in te leven in de teksten.

Het boek was ook voorbestemd om ooit verfilmd te worden. Dit duurde echter een lange tijd. Beroemd animator Ralph Bakshi wilde er een tekenfilm van maken in de stijl van cartoonist Ralph Steadman die de briljante illustraties bij het boek verzorgde, maar dit ging niet door. Tijdens het langdurige ontwikkeltraject van de film zijn verschillende acteurs overwogen. In eerste instantie waren dat Jack Nicholson en Marlon Brando als Raoul Duke en Dr. Gonzo, maar zij werden te oud. Daarna werden Blues Brothers Dan Aykroyd en John Belushi overwogen, maar dat idee ging overboord toen Belushi overleed. Later werd John Malkovich overwogen voor de rol van Duke, maar ook hij werd te oud. Daarna werd John Cusack overwogen die een toneelversie van Fear and Loathing had geregisseerd. Maar toen ontmoette Thompson Johnny Depp en hij raakte ervan overtuigd dat Depp de aangewezen persoon was om Duke te spelen.

De film, geregisseerd door Terry Gilliam, en met Johnny Depp en Benicio Del Toro (als Dr. Gonzo) kwam uit in 1998 en werd – net als het boek – een groot cult succes.

Icon 15 - Bats

Hunter S. Thompson in 1970 – Decadentie en verderfelijkheid in het Zuiden

‘Just pretend you’re visiting a huge outdoor loony bin. If the inmates get out of control we’ll soak them down with mace.’
– The Kentucky Derby is Decadent and Depraved (1970)

‘The Kentucky Derby is Decadent and Depraved’ is een sportartikel dat Thompson schreef in 1970 voor het controversiële blad Scanlan’s Monthly, dat slechts een kort leven beschoren was (1970-1971).

Normaal wijd ik alleen blogs aan Thompson’s boeken (tot duver over ‘Hell’s Angels’ en ‘The Rum Diary’), maar voor dit artikel van Thompson maak ik een uitzondering. Hier zijn twee redenen voor; 1.) Het is misschien wel het eerste echte Gonzo-verhaal dat Thompson schreef en 2.) Thompson ontmoet in dit verhaal de Britse cartoonist Ralph Steadman met wie hij een levenslange vriendschap en samenwerking zou ontwikkelen. Steadman zou ook een (bij)personage worden in veel van Thompson’s latere verhalen, zoals ‘Fear and Loathing: On the Campaign Trail ’72’ en ‘The Curse of Lono’.

In het verhaal doet Thompson verslag van een beroemde jaarlijkse paardenrace, ‘The Kentucky Derby’, die plaatsvindt in Louisville, Kentucky, Thompson’s geboorteplaats. Het verslag lijkt op een voorproefje op ‘Fear and Loathing in Las Vegas’, dat immers ook begint als rapportage van een race (The Mint 400).

In plaats van de Zuiderse paardenrace zelf te verslaan, focust Thompson zich puur op de dronken, ellendige, door inteelt verwekte bezoekers van de race. Hij doet dit samen met zijn nieuwe partner in crime, Ralph Steadman, die vanuit London is gestuurd om sketches te maken van het paardenspektakel.

Ook Steadman is vooral geïnteresseerd in het tekenen van bezoekers. Gedurende het verhaal zoeken Thompson en Steadman doorlopend naar het perfecte ‘Kentucky Derby’ varkensgezicht voor de hoofdillustratie. Maar op het einde van het evenement, na dagen van alcoholconsumptie, kijken ze in de spiegel en constateren ze dat ze zelf de figuren zijn geworden die ze wilden karakteriseren.

Het artikel werd niet wijdverspreid, maar trok wel de aandacht van veel journalisten vanwege de ongewone en bijzondere stijl. Bill Cardoso (redacteur van The Boston Globe Sunday Magazine) noemde het artikel een doorbraak. ‘This is it, this is pure Gonzo. If this is a start, keep rolling.’ En zo geschiedde…

Icon 13 - Gonzo

Een authentieke dichtbij-opname van de Hell’s Angels (door Hunter S. Thompson)

‘Filthy huns! Breeding like rats in California and spreading east. Listen for the roar of the Harleys. You will hear it in the distance like thunder. And then, wafting in on the breeze, will come the scent of dried blood, semen and human grease . . . the noise will grow louder and then they will appear, on the west horizon, eyes bugged and bloodshot, foam from their lips, chewing some rooty essence smuggled in from a foreign jungle . . . they will ravish your woman, loot your liquor stores and humiliate your mayor on a bench on the village square .’
– Hell’s Angels: The Strange and Terrible Saga of the Outlaw Motorcycle Gangs (1967)

Hell's Angels 1

Door Jeppe Kleijngeld

In de lente van 1965 begon Hunter S. Thompson rond te hangen met de Hell’s Angels motorclub. Halverwege de zomer was hij zo betrokken bij de outlaws dat hij niet langer zeker wist of hij alleen maar onderzoek deed naar de angels of door ze geabsorbeerd was. Zijn ervaringen met de motorbende staan beschreven in ‘Hell’s Angels’, het boek dat Thompson’s naam als schrijver/journalist in 1967 op de kaart zette. Het is een krachtig staaltje onderzoeksjournalistiek dat hij laat zien in ‘Hell’s Angels’ en het vormt tevens een nieuwe ontwikkelingsfase in zijn befaamde Gonzo stijl, waarbij hij zelf als personage opgaat in het verhaal, al kan dit boek nog bestempeld worden als vrij traditionele journalistiek.

Waar komen de Hell’s Angels vandaan? Ze zijn min of meer een smerig overblijfsel uit het Wilde Westen. De officiële bende is in de jaren 50’ ontstaan in Californië. De meeste soldaten die thuiskwamen na de tweede wereldoorlog stichtte gezinnen, maar de outlaws wilden wat anders. Vrijheid, kicks, vriendschappen… dus sloten ze zich aan bij de motorbendes en keerden zich af van burgerlijke normen en waarden. Losers, maar wel losers die heel veel lawaai maakten en angst konden inboezemen bij het gewone volk.

De Hell’s Angels waren berucht in deze tijd, maar hoeveel van hun reputatie was mythe en hoeveel was waarheid? Thompson ontdekt dat angst en walging machtige politieke wapens zijn. Want wanneer verhalen over verkrachting en de plundering van kleine Amerikaanse slaapstadjes de ronde doen, kan een senator ineens heel daadkrachtig lijken. De media dragen ook hun steentje bij, want met een kop als ‘Hell’s Angels rape teenagers’ verkoop je kranten, ook al ligt de waarheid iets genuanceerder.

Dat wil niet zeggen dat de Hell’s Angels heilige boontjes zijn. Het is een bondgenootschap en dat betekent dat ze samenspannen. Altijd. Als een burger ruzie krijgt met één van hen heeft hij ruzie met hen allemaal en ze schuwen geweld niet. Of verkrachting. Het boek van Thompson begint met de ontleding van de levensstijl van de motorbende. Hoe ze zich kleden en waarom (ze zeggen dat ze swastika’s slechts dragen om te shockeren, maar volgens Thompson zijn het wel degelijk fascisten). Hoe belangrijk hun motor voor ze is. Hoe veel ongelukken ze hebben (gemiddeld 4 doden per jaar op een bende van een paar honderd is veel te noemen). De vrouwen die met de angels rondhangen. Enzovoorts.

Daarna beschrijft hij een bijeenkomst van de volledige bende – en geassocieerde bendes zoals Satan’s Slaves, Gypsy Jokers, Presidents, Misfits en Nightriders – in Bass Lake in de zomer van 1965, waar hij zelf ook bij aanwezig is als geaccepteerd deelnemer. In dit deel van het verhaal wordt ook de toenmalige leider van de angels – Ralph ‘Sonny’ Barger – nader onder de loep genomen. Het weekend ontspoord zowaar niet in rellen zoals de kranten voorspeld hadden, maar het wordt gewoon een weekend gevuld met zuipen en de beest uithangen. Zeker gezien de angst die van te voren door het gebied verspreidde, toen bekend werd dat de volledige Hell’s Angels motorclub eraan kwam, was dat een grote meevaller.

Het beeld dat Hunter schetst is behoorlijk grim af en toe. Vooral het stuk over gangbangs is moeilijk te lezen. Sommige vrouwen laten dit vrijwillig doen, al is het natuurlijk onmogelijk dat welk mens dan ook zoiets vernederends ooit echt vrijwillig zou doen. Hunter was er getuige van dat een vrouw op een feest zo’n 50 keer gepenetreerd werd op verschillende manieren, waarna ze weer terug naar binnen ging. Het komt ook voor dat een vrouw bij wijze van straf door een groepje wrede angels onder handen wordt genomen. De vrouw in kwestie wordt dan naar een plaats gebracht waar de angel die ze naar verluidt onrecht heeft aangedaan haar verkracht, terwijl andere angels toekijken. Soms zijn er zelfs vrouwen van de angels bij, zoals enkele mama’s (vrouwen die tijdelijk rondhangen met de angels en fungeren als menselijke spermacontainers).


Hunter S. Thompson verdedigd zijn boek tegenover een Hell’s Angel in een televisiedebat.

In het vermakelijke laatste segment worden de angels frequente bezoekers van de LSD-feesten van Ken Kesey (auteur van o.a. ‘One Flew Over the Cuckoo’s Nest’) in La Honda. Het lijkt een vreemde combinatie – angels en LSD – maar volgens de beschrijving van Thompson ‘they handled it with the mindless zeal they bring to their other pleasures.’ In het begin waren de angels terughoudend met de LSD, maar na een tijdje… ‘As it were, their consumption pushed the limits of human toleration. They talked of little else, and many stopped talking altogether. LSD is a guaranteed care for boredom, a malady no less prevalent among Hell’s Angels than any other segment of the Great Society . . and on afternoons at the El Adobe, when nothing else was happening and there was not much money for beer, somebody like Jimmy or Terry or Skip would show up with caps and they would all take a peaceful trip to Somewhere Else.’

Thompson zelf gebruikte ook een keer of zes LSD in die periode en ervoer dat trippen met de angels zo slecht nog niet was. Hun gebruikelijke vijandigheid zakte af en hun wilde en naïeve persoonlijkheden maakten het tot een avontuur. Na een paar intensieve maanden, stopten de meeste angels weer met LSD. Sommige hadden verschrikkelijke hallucinaties gehad of waren bang hun motors te crashen. Voor een paar onder hen was LSD het beste dat ze ooit was overkomen en ze gingen er naar hartenlust mee door.

Maar in 1966 waren de mooie tijden definitief voorbij, althans voor Thompson bij de angels. Een groepje van vijf van hen (niet zijn kameraden) vonden dat hij misbruik van ze maakte door over ze te schrijven. Ze sloegen hem volledig in elkaar. Thompson wilde een origineel slotakkoord voor zijn boek, maar kwam niet verder dan Colonel Kurtz in Joseph Conrad’s ‘Heart of Darkness’: ‘the horror. The horror’. De motor posse komt in Thompson’s latere werk trouwens nog wel regelmatig voorbij, maar dan in een kleine bijrol.

Net voor het einde van het boek noemt Thompson terloops het karakter Raoul Duke. Hij beschrijft hem als outlaw, die de wet niet breekt op een manier die beledigend is voor de samenleving, maar juist op een manier die hem meer geaccepteerd maakt. Thompson’s alter ego Raoul Duke zou binnenkort een geheel eigen avontuur gaan beleven. Misschien wel het grootste avontuur aller tijden…

Dromen en dronken deliriums in San Juan (Over ‘The Rum Diary’ van Hunter S. Thompson)

‘Sounds of a San Juan night, drifting across the city through layers of humid air; sounds of life and movement, people getting ready and people giving up, the sound of hope and the sound of hanging on, and behind them all, the quiet, deadly ticking of a thousand hungry clocks, the lonely sound of time passing in the long Caribbean night.’
– The Rum Diary (1998)

The Rum Diary 1

Door Jeppe Kleijngeld

In 1960 bracht beroemd Gonzo journalist Hunter S. Thompson wat tijd door in San Juan, Puerto Rico waar hij werkte voor een sportblad, het begin van zijn carrière als sportverslaggever naast politieke junkie en toonaangevend auteur van de countercultuur beweging. Het blad ging kopje onder en Thompson solliciteerde bij de Engelstalige krant ‘The San Juan Star’, maar hij werd afgewezen. Terug in de Verenigde Staten kreeg hij in 1961 een baantje als beveiligingsbeambte bij de waterbronnen van Big Sur, Californië. In deze periode van acht maanden schreef hij twee boeken: ‘Prince Jellyfish’ en ‘The Rum Diary’. Thompson probeerde een uitgever te vinden voor deze boeken en faalde. ‘Prince Jellyfish’ is nooit uitgegeven, maar ‘The Rum Diary’ uiteindelijk wel in 1998.

‘The Rum Diary’ fictionaliseert Thompson’s ervaringen in Puerto Rico en zijn kwaliteiten als schrijver spatten van de pagina’s van deze prachtige roman. Het verhaal gaat over de jonge journalist Paul Kemp die bij een verlopen krant terecht komt in Puerto Rico, waar een zooitje dronken en parasitaire journalisten het proberen zo lang mogelijk uit te zingen voordat de krant definitief bankroet gaat.

Kemp heeft het gevoel dat hij al veel jaren verspild heeft, maar hij loopt tegen nieuwe mogelijkheden aan. Chenault – de sensuele vriendin van een collega – doet zijn lustgevoelens dermate opkomen dat het bijna te veel wordt. Dan is er de gladde PR-man Sanderson, die betrokken is bij louche dealtjes in de bloeiende economie van het Caribische land, waardoor Kemp geconfronteerd wordt met zijn eigen ambitieniveau. Wil hij voor weinig geld blijven schrijven over wat hij observeert? Of wil hij die kennis inzetten om rijk te worden, zoals Sanderson dat doet?

Hunter S. Thompson aan het werk in Aruba. De foto is gemaakt bij de Aruba Palm Beach Club met op de achtergrond het Aruba Caribbean Hotel. Thompson bezocht Aruba terwijl hij woonde op Puerto Rico.

Hunter S. Thompson aan het werk in Aruba. De foto is gemaakt bij de Aruba Palm Beach Club met op de achtergrond het Aruba Caribbean Hotel. Thompson bezocht Aruba terwijl hij woonde op Puerto Rico.

‘The Rum Diary’ is een roman over de jaren 60’ toen de wereld nog open lag voor Westerlingen om overal in te duiken en het welvaartsniveau lager lag, maar de hebzucht des te groter was. Ook is het een verhaal over liefde, drank, journalistiek en jezelf ontdekken. Kemp is nog niet het extreme Gonzo alter ego van Thompson dat Raoul Duke zou worden in ‘Fear and Loathing in Las Vegas’, maar een iets gematigdere persoonlijkheid. Johnny Depp die Kemp portretteerde in de verfilming zei dat hij Kemp speelde als een jonge Raoul Duke die nog op zoek was naar zijn stem.

Thompson’s kracht als schrijver ligt vooral in het typeren van groepen mensen, tijdsbeelden en plaatsen. Dat doet hij uitstekend in het uiterst sfeervolle ‘The Rum Diary’. Ik kreeg heel sterk de neiging om Al’s Backyard op te zoeken en me te buiten te gaan aan rum, bier, sigaretten en hamburgers.

Thompson’s legendarische humor is ook al regelmatig aanwezig en doet soms denken aan de paranoia hilariteit van ‘Fear and Loathing in Las Vegas’, zoals in de volgende passage; ‘We spend the next six hours in a tiny concrete cell with about twenty Puerto Ricans. We couldn’t sit down because they had pissed all over the floor, so we stood in the middle of the room, giving out cigarettes like representatives of the Red Cross. They were a dangerous-looking lot. Some were drunk and others seemed crazy. I felt safe as long as we could supply them with cigarettes, but I wondered what would happen when we ran out. The guard solved this problem for us, at a nickel a cigarette. Each time we wanted one for ourselves we had to buy twenty – one for every man in the cell.’

De verfilming van ‘The Rum Diary’ heeft net als de boekuitgave lang op zich laten wachten. In 2000 werd een poging gedaan om het project van de grond te krijgen met Johnny Depp en Nick Nolte. De poging mislukte en de toen nog levende Thompson schreef een woedende brief naar de productiefirma en noemde het project een ‘waterhead fuckaround’. Een tweede poging tot verfilming in 2002 mislukte eveneens en uiteindelijk ging de productie pas in 2009 – na de dood van Thompson in 2005 – van start met Bruce Robinson (‘Withnail and I’) als regisseur. De film kwam in 2011 uit en kreeg gemengde kritieken. Een opvallend verschil met het boek is de integratie van de karakters Sanderson en Yeamon. Ook legt de desperate krantenuitgever Lotterman in de film niet het loodje aan het einde van het verhaal in tegenstelling tot het boek.

Wordt binnenkort vervolgd met een beschrijving van Hunter S. Thompson’s tweede boek ‘Hell’s Angels’.

Icon 11 - Bird